Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

48a het GEBED IS EEN der VOORNAAMSTE PLÏGTrn

eenigen? Gelooft gij, fchepfelen zijner handen! hem, onzen god ! door een gebrekkig ftamelen te kunnen

verheerlijken? Neen neen!! god is daartoe veel

te groot, te verkeven, en wij zijn al te zwak, al te ellendig daartoe."

,, Juist zoo is het ook gelegen met onze dankzeggingen. Wij menfchen vinden een beloonend genoeg ;n er in, als anderen, welke wij weldaden bewezen, ons hunne dankzegging toebrengen; en wij moeten, bij eene opregte naauwkeurige beproeving, hoe zachtjes ook ons hart in ons binnenfte fpreekc, toelfemmen , belijden : dat de hoofdoorzaak hiervan daarin is gelegen, omdat dit onzen trots vleit, dewijl juist deze dankzegging voor bewezene weldaden zoowel de erkentenis van onzen voorrang, als de afhankelijkheid van den dankenden voor ons fchijnt te wezen."

,, Zoo is het niet met god gelegen. Zijne fchepfelen gelukkig te zien, dit is de belooning •in zijne oneindige goedheid — dat is zijne belooning, als ik ™en~ fchelijk ipreken en mij van deze uitdrukking kan, mag en moet'bedienen. En dewijl wij het reeds bij menfchen voor edelmoedigheid en eene verhevener deugd houden, als zij in het verborgene, in ffilte goeddoen, zonder dat zij op dankerkentenis rekenen; kan men dan van god vvel denken, dat hij belang ftelt in de dank. gebeden zijner menfchen? Verblijdt u over het geluk, dat god u gaf, geniet het met een vrolijk hart; geniet het als een wijze fterveling en maakt het verftandigst, het best gebruik van hetzelve: dit is uwe beste dankzegging. Al uwe dankgebeden hebben, zoowel in het oog van god, als voor den rigterftoel van het gezond verftand, even zoo weinig waarde, als uwe aanbidding, waarmede gij god wilt vereeren."

,, Uwe gebeden eindelijk zijn onnut en dwaas. Want — god regeert de geheele wereld, al de omftandighcden en lotgevallen in dezelve, volgens een eeuwig onveranderlijk plan, en wel zoo als het best is voorliet geluk •van het geheel; gij kunt dus zeker met uw gebed niets in dit plan veranderen. God leide u, 0 mensch! dit lijden op, dewijl hij, volgens zijne wijsheid zag, dc£ daardoor uw hooger geluk werd bevorderd, en juist om dezelfde reden verminderde hij ook de zwaarte van uw lijden, of nam hetzelve wel geheel van u weg,

omdat hij zijn oogmerk had bereikt. God 8'af 11

vreug-

Sluiten