Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor den vereerder van jezus. 489

beds in mijne ziel flikkert, nimmer tot dadelijkheid overdaan. Ik zal mij bevlijtigen, om zoo voor het aangezigt van den Alomtegenwoordigen en Algoeden te wandelen, dat ik mij het groote voorregt, om tot hem, mijnen Vader te mogen bidden, nimmer onwaar, dig make. Mijne deugd zal nu nieuwe krachten krijgen , en zal zich in eene fterke begeerte veranderen.

Ik leer mijzelven> door dat ik god bid, god den Alwetenden, voor wiens oog alle huichelarij verdwijnt, beter, nader kennen; even zoo als ik, wanneer ik aan eenen vriend de gedachten mijner ziel ontdek, en mijn hart voor hem open leg, terftond ook eene nadere befchouwing omtrent roiizelven, en eenen blik diep in mijne ziele doe. Zelfkennis (*) wordt dus ook door het gebed bevorderd ; en 0! hoe veel gemakkelijker wordt daardoor elke trede tot de deugd gemaakt.

Het gebed Hort zachtere, aangenamere gewaarwordingen in onze ziel; maakt even daardoor deftem van het geweten hoorbaarder, meer merkbaarder, verfijnt het gevoel voor regt en onregt, ja fcherpt onze gevoelens voor het fchoone en goede — en is dat niet hetzelfde met andere woorden , als: het gebed vormt het hart voor de deugd? Vrome Godvruchtige gewaarwordingen hebben wel op verre na de waarde niet van deugdzame daden; maar -waar, let wel! waar gevoel is toch altijd de rijkftc bron van deugdzame handelingen. Zulk een waar gevoel wordt door het gebed, wanneer hetzelve overeenkomftig der voorfchriften van jezus Godsdienst is ingerigt, gewrocht; want zulk een gebed geeft moed tegen menfchen en menfehenvrees, geeft kracht ten Itrijd der deugd, en fterkt ons, om den wil van god , dien algemeen erkenden pligt, te volbrengen.

O mijne Vrienden! mogt toch niemand uwer, die

dit leest, de droevige ondervinding gehad hebben

want ondervinding en waarheid is het — omtrent hetgeen ik hier nu laat volgen: Verwaarloozing van het gebed was dikwerf de eerde dap tot onverfchilligheid

omtrent allen Godsdienst en deugci, uc remc rreae,

om

(*) De fchrijver zal in het vervolg zijne gedachte over de zelfkennis en zelfbeproeving in dit Mengelwerk niededeelen.

Hh 5

Sluiten