Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§05 OVER DEN INVLOED DER

naar Zweden, waar de mijnen het overvloedig geven, of geurige fpecerijen naar het Oosten, daarvan zoo rijkelijk gezegend.

Doch onze befchouwing, hoezeer ook noodzakelijk , ten betooge van den invloed der befchaafdheid op den koophandel zijnde, zou niet alleen eene loffpraak op de wetenfchappen, maar ook eene inleiding op dezelve worden, zoo wij eene verdere uitweiding ons veroorloofden, terwijl zij ons eer van ons doel verwijderen , dan tot hetzelve brengen zou, even gelijk de Huurman, door den ftroom te ver vervoerd, de haven niet bereiken kan.

Beter zal het dus wezen, wanneer wij zulke wetenfchappen daar latende, die onontbeerlijk voor den koopman zijn en genoegzaam onze ftelling ftaven, vervolgens ook die kunften en wetenfchappen befchouwen, die minder van den koopman behoeven gekend en beoefend te worden, doch voor den koophandel zeer noodzakelijk zijn, en uit welker befchouwing genoegzaam de invloed der befchaafdheid op denzelven , ook zonder onze aanwijzing, blijken kan; zij zijn natuurkunde, landbouw en zeevaart.

De natuurkunde is eene dier noodzakelijke wetenfchappen voor den koophandel, dat zonder dezelve hij niet kan gedreven worden. Zonder deze kennis toch, die de krachten en eigenfchappen der dingen, gepaard met eene ontvouwing van de wetten der natuur, gadeflaat en leert, buiten deze wetenfchap, is het voor den handel ondoenlijk, zijn bedrijf voort te zetten, daar geene fabrijk buiten haar kan beftaan, geen ploeg zonder de natuurkunde is vervaardigd, geen fchip gemaakt wordt, noch zee kan bouwen; en de goederen niet geladen, gelost, of verwerkt kunnen worden, zoo de werktuigkunde de behulpzame hand niet biedt.

Even min kan de koophandel beftaan buiten den landbouw. Hij is de vruchtbare bron der voortbrengfelen, die de handel gedurig ruilt; volkeren, die denzelven niet beoefenen, zijn in een' behoeftigen ftaat en bewijzen , met het gemis van dit voornaam bedrijf des levens, hoe verre zij van de befchaafdheid verwijderd zijn, terwijl zij, bij gebrek aan voedfel, zich alleen van de jagt ea de vischvangst onderhouden, met de dieren in het woud, en hunne natuurgenooten,^ °m hun voedfel in belkndigen oorlog leven, aan geen' akker

Sluiten