Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ALGEMEEN OVERZIGT VAN WESTFALEN. 5.aj

Dit dan was het geval niet meer, 't welk ik op de vlakten van Braband mij verbeeldde. _

Behalve deze eerfte bedenking, die mij reeds verzekerde , dat Westfalen geene opflijking van den Rhijn is, zag ik in de verte heuvelen, te hoog om enkel duinen te zijn; en ik verwachtte wel, dat zij kenmerken van aloude wordinge zouden vertoonen, even als of zij in het midden van het vaste land ftonden.

Nadat wij Dorflen gepasfeerd waren, kwamen wij bij deze heuvelen; en dewijl zij ons van Haltern fcheidden, 't welk in onzen weg lag, moesten wij dezelve overtrekken. Een gedeelte van dien weg leide ik te voet af; dit gaf mij gelegenheid om de natuur van den grond waar te nemen. Het zijn zandheuvelen, alwaar men eene menigte gres aanrreft, die zeeligchamen bevatten. Den weg hebbende verlaten, om een der gleuven te. volgen, langs welke het water afloopt, vond ik op verfcheidene dezer gres, op den hoogften top des heuvels, groote zeer wel bewaarde fchelpen.

Deze heuvelen zijn geene duinen. Want, om niet te fpreken van derzelver hoogte, welke deze verklaring niet toelaat, voert de wind, die het zand der duinen boven de hoogte der golven doet klimmen, geene fchelpen derwaarts, vooral niet van die zwaarte.

Deze landen zijn derhalve geen gewrocht van achtereenvolgende bezinkfels van rivieren, noch van eene horizontale terugwijking der zee, door eenige andere hoei genaamde oorzaak; zij behooren tot den algemeenen klomp van het vaste land. Derzelver ontginning wordt derhalve zeer belangrijk in de gefebiedenis der aarde. Hierom onderzocht ik, of er eenig fpoor van langzaam voortgaande verandering voorhanden ware, door de vergelijking van de drooge gronden met de diepte en de oevers der naburige zeeën. De natuur der zeeügchatnen, in den grond dier landen aanwezig, fconde hierover eenig licht verfpreiden.

Hierom nam ik alle gelegenheden waar om het binnenfte van den grond te onderzoeken, zoo dikmaals de vhtgenfporen , die ons fchokten , zulks gedoogden. Hoewel de fchelpen, die ik al aanftonds tusfchen"üorften en Haltern vond, mij niet voorkwamen tot onze zeeën te behooren, konde ik het echter met geene zekerheid beflisfen. Doch na Osnabtug gepasfeerd te Zijn, en over andere heuvels trekkende, die naar Boom-

te

Sluiten