Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

53a een gesprek over de afgestorvenen.

andere betrekking tot zijn huis heeft, dan dat hij het eenigen tijd gebruikt, en vervolgens, wanneer het buis inftort, weêr wegtrekt; neen, zeker, dan komen geene zintuigen bij den nu zaligen in aanmerking. Maar ik heb u meer dan eenmaal mijne gevoelens, over het menfchelijk wezen, gezegd. Gij weet, dat ik dat wezen, uit geest en ftof zamengefteld, befchouw, zoodat geest alleen even min den mensch uitmaakt, als een of meer, zijner ligchaamsleden. En dit gevoelen, mijn Vriend! heb ik als onbetwistbaar zeker aangenomen. Dit nu zoo zijnde, legt het menfchelijk wezen, bij het (terven, Hechts het grof omkleed fel, waardoor het met de zinnelijke wereld verbonden was, af, en verheft zich tot de onzigtbare wereld, tot wier bevolking het eigenlijk beftemd is. Doch ook voor dien Haat bezit het zintuigen, die onafgebroken de gewaarwordingen toevoeren, en volgens die gewaarwordingen blijft het eeuwig voortwerken. Wij kunnen geest en ftof in onze denkbeelden nooit regt van elkander icheiden; want een' geest kau immers met geene mogendheid onder het bereik der denkbeelden vallen? en wat is eigenlijk de ftof? waar zijn hare grenzen? Hier eindigen onze begrippen. God , het volmaaktst Wezen, js boven de ftof verheven, dit weten wij, maar wij vinden ook geenen naam, waardoor wij hem uitdrukken kunnen. Wij gevoelen het, wij zijn niet in ftaat om zijn beftaan te bevatten, fchoon geheel ons aanwezen, vol eerbiedige verrukking, hem gevoelt, en aanbidt. Maar de onlterfelijk geworden mensch, is toch een geheel ander wezen dan god ! hij blijft met ons vermaagfchapt, hij blijft voortgaan in volmaaktheid, hij blijft eindig, en duurt alleen voort, omdat de volmaakte wijsheid van den Schepper dit vordert»

julie.

Maar dit alles heeft de onlterfelijk geworden mensch gemeen met de Engelen; en deze, immers, zijn geesten?

reinhart.

Lieve titlje ! wij fpreken heden van dingen, waarvan wij ons niet zinnelijk kunnen overtuigen; doch het ftaat ons vrij, als redemagtige wezens, volgens die

ver-

Sluiten