Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

$?6 AAN HET STERFELIJK TEVEN.

Bekoorlijk laclu ons 't leven tegen, Wen komnierlooze onnoozelbeid

Nog om ons pas ontluikend aanzijn De reine duivenvleugleii fpreidt:

Voor de onfchuld is de zigtbre wereld

Toch mild met hemeldauw bependd. T», fchoon des rampfpoeds nacht op 't wauklend wiegje

Een fchuimbel fielt het kind te vreden; (daalt,

Een glimworm fchenkt het zaligheden ; "t Schrikt voor geen bli-kfemvuur, dat vreeslijk flingreud draalt.

De fiere jongling vormt ontwerpen,

Door rozenkleur der hoop verfierd; De brave man oogst reinen wellust,

Waar deugd, waar wijsheid zegeviert; De grijsaard, rijk in edle daden, Verkrijgt vol vreugd, op Godsvruchts paden,

Dê zïlvren kroon, en ftaart zijn grafrust dankend aan; Maar, fnoodaards! wars van piigtberrachten, Gij kunt geen ooft van distien wachten; „,.„.

Gij zaaidet onregt, en de ellende onuchauwde uw paan.

Ta eenmaal wreekt zich de ondeugd vreeslijk: Natuur dreigt eeuwge draf en dood ;

Vervloeking brult in 't fuizend koeltje, Voor hem wien zielerust ontvlood.

De fchrik des nachts wekt nare fchiramen;

De daaeraad doet zijn wanhoop klimmen; In eiken lichtilraal, treft hem 's eeuwgen Ilegters blik.

O kon hij, die zijn god durft tergen,

Zich dervend eens in 't niet verbergen ! Maar 't:eindloos galmend wee vervangt zijn jongden fuik.

Juicht, Christnen! juicht, uw kalm geweten Dauwt hier in 't dof, reeds hemelvreugd. Gij kent in heef natuur uw' Vader;

Zijn liefde kroont uw zwakke deugd. Laat rampfpoed vrij uw lot verdonkren, De hoop toch doet uw' heilftar flonkren.

Houdt moed; vertreedt geen bloempje op't levenspad verGeniet , en dankt Hem, die dit leven (fpreid. Met aardfche vreugd ook heeft doorweven.

Ra» voer: u 't uur des doods in jezus heerlijkheid.

Sluiten