Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over den zin van matth. XI: Mi 639

fchoon nog gedurig van geheele fcbaren bij zijne prediking en wonderen toegejuicht, reeds een geruimen tijd niet meer vrijelijk onder de Joden wandelde, en dikwerf in eenzame en afgezonderde oorden, alleen van eenige weinige trouwe vrienden verzeld, veiligheid zocht; tot dat het tijditip aanbrak, waarop hij overgeleverd in de magt zijner vijanden, en de prediking van zijn Evangelie vernietigd, voor een tijd geheel van de aarde verdelgd werd. Jezus zelf gevoelde het zware, het drukkende van dien tijd, en fprak tot de Overpriesters, die met eene gewapende bende hem gevangen namen; dit te mve ure en de magt der duisterheid. Toen week het licht van het Evangelie voor de duisternis van bijgeloof en boosheid, en jezus, overftelpt'door lijden, floot ftervende aan het kruis zijnen mond op Golgotha. Toen, in die bange dagen , waren er , ja , aanhangers, getrouwe volgeren van jezus, maar vol fiddering, vol vrees, vol bekommerende verwachting, verhefte zich geene ftem op aarde, om het Evangelie te verkondigen. Het Godsrijk was, in den eigenlijkken zin, door geweld ingenomen, en de geweldigers hadden het menschdom van de Evangelieprediking op de fnoodfte wijze beroofd. Geen wonder, dat jezus aan dien tijd dacht reeds bij den aanvang zijner openbare bediening, en inzenderheid bij de vraag uit naam van joannes, zelf toen reeds ingekerkerd, hem voorgefteld: „ Zijt gij degeen, die komen zoude, of ver,, wachten wij eenen anderen;" zich die toekomst levendig vertegenwoordigde, en met die gedachten bezield, zich, onder anderen, aldus liet hooren: ,, Van „de dagen van joannes den Dooper, tot nu toe, „ wordt de bedeeling van het Evangelie geweld aange„ daan, en de geweldigers verdelgen deszelfs prediking j, met geweld."

§. 12.

Schoon nu naar deze opvatting jezus uitfpraak bepaaldelijk befchouwd wordt in betrekking tot zijnen aardfchen leeftijd, en men ook uit andere gronden zeker is, dat het Godsrijk op aarde nimmer meer in zulk eenen trap en mate zal onderdrukt worden, zoo meent men echter in de gefchiedenis der fints verloopene eeuwen

Sluiten