Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6jl LUCIND2.

Ja, jezus, de Godlijke Broeder der menfchen, Gevoelde haar zwakheid,- een geest der vertroosting Omzweefde, op zijn wenken, de geest van lucinde*

Zij ademde rust. De zinlijke wereld verdween, in een uurmring; En Hemel! een droombeeld verfchrikt nu de teedre.Daar ziet zij een booswicht het aanzijn vervloeken,

Zijn gruwlen bewust.

Zij ziet hem, nog druipend van 't bloed eens vermoorden, Gefleept.naar dé llrafplaats, en, ach! die vermoorde Is elmond ; — zijn moorder was 't kind harer liefde1.

Nu krimpt zij door fmaru Ja, treurende moeder! zoo fpreekt nu gods Engel: Dus vreeslijk — waar' 't aanzijn — uws lieiiings ontheiligd j Had god zijn ontwerpen gefchikt naar de neiging

Van 't moederlijk hart.

Uw zoon, door uw dwalende liefde verteederd * Had nimmer geheersehc over woedende driften ; En vadermoord had, volgens de orde der dingen,

Zijn gruwlen voltooid. Nu riep hem gods liefde nog eer hij beproefd werd; Nu wacht hem geen ftrijdperk; neen rein en onfchuldig, Geleiden hem zaalgen, langs glansrijke paden,

Met palmen beftrooid.

'k Zie ver in de toekomst uw fchuldloozen liefling

Zijn vader, die eindloos de bitterde vruchten

Der ondeugd moet ("maken, langs kronklende paden,

Geleiden tot god. Verbeetrend en troostend omzweeft hij den boetling,Dit was zijn beuemniing, u biedt hij eens juichend, Door dankende liefde, den fchittrenden beker,

Vol Godlijk genot.

Nu brulde niet langer de Item der vertwijfling

Door 't aanzijn der moeder; nu kon zij, fchoon weënend,

Gods wijsheid aanbidden; nu vloeide uit haar boezem

De vadernaam weêr. Zij wijdde zich plegtig aan Godsvrucht en reinheid, Op 't graf des onnooslen, die plaats bleef haar heilig. Daar knielde ze in fchaduw van bloeijende rozen,

Voor de Almagt vaak neêr.

Sluiten