Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IETS OVER. KEMI-LAPfMARK.

73?

van Finfche afkomst, en fpreken zoowel Finscli até j,aplandsch; de vrouwen integendeel zijn van Lapland'fchen oorfprong, en-in allen opzigte den Lapianderinnen gelijk. Het volk is traag en bemint den brandewijn buitenfporig. De eenigfte tak van bedaart bij de VischLanlanders is de zalmvangst; deze visch wordt in de Tana en bare armen in ongeloofelijke menigte gevonden; en er leven in bet ganfche didrict om de Tana meer d?n ioco menfchen van. De vele muggen, waarvan de poollanden gekweld worden , fchijnt de natuur beftemd te hebben ter mesting der aarde , die anders no" onvruchtbaarder zijn zoude. Koren gelukt niet, rapen komert voort, met aardappels heeft men nog geene proef genomen j maar in Altengaerd is derzelver teling gedaagd. Zoo men de Laplanders tot het inzamelen van vèrwmosfen brengen kon , zouden zij daarmede aanmerkelijk voordeel behalen.

Het kerfpel Enare is ongeveer 188 Zweedfche quadraat-mijlen groot; een achtfte van dezen omtrek beflaat het meer Enare (in het Zweedsch Enare-traesk, een woord, dat eigenlijk een moeras beduidt, maar, hetgeen vreemd is, in de noordehjkfte llreken deze beteekenis verliest en aan de groote meren gegeven wordt.) Het is met tallooze eilanden en hoogten overdekt; doch in het midden kan men geene kust ontdekken; het is allerwege, zelfs in de nabijheid des oevers, ten minfte een vadem diep. Het land is ten uiterfte onvruchtbaar en fehier geheel met pijnboomenhout begroeid. Da bewoners beftonden in het jaar 1803 uit 65 familien, louter Visch-Laplanders en eenige weinige Colonisten , makende te zamen ongeveer 450 zielen uit, zoodat er niet meer dan 7 op de drie quadraat-mijlen komen. Dege Laplanders, welke zich nooit met hunne naburen vermengen, zijn geheel van dezelve verfchillende, ert maken bijna een afzonderlijk volk uit. Elk hunner voert drie namen , eenen doopnaam , den naam zijns vaders ^ en dien van het gedacht, waartoe hij behoort. Zij munten uit door eene ongemeene moraliteit; nooit vallen er regtsgedingen onder hen voor, kleine gelchillerf doen ze onder elkander af; nooit hoort men van fchenddaden; zij zijn zeer Godsdiendig, en voeden eene groote verknochtheid, aan Zweden en de Zweedfche regering. Dan, offchoon deze Laplanders vele en groote deugden hebben , is de omgang met hen toch'moegelijk;

meng. 1807, nö. 16.' Aaa 7ï$

Sluiten