Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VILLA MORGENROOD

Mieps kapsel kwam gereed, met nog een vluchtig zijblikje nam ze afscheid van de spiegel.

Een motorbootje tufte de Amstel op, helderwit blonk het in de zon. In het hol voor de roef zaten vijf, zes jongelui in zeilcostuum. Aanstonds ontdekte Gerard het, maakte Miep opmerkzaam, 't Blousje knoopend stond ze al aan 't raam, boog naar buiten om beter te kunnen zien.

— Hè, zoo'n tochtje! snakte ze. — Paps, tracteer je er op?

— Ik — ik — weerde Gerard af — ik kan niet varen.

— Nou, dan een schipper mee. Wat verderop zijn booten te huur, drong Miep aan. — De heele zooi in de boot!

— Ik heb geen geld.

— Och, dat geld!

Ze ging pal voor hem staan, legde de handen op zijn schouders. — Doen?

— Nee, nee, later es.

— Och, later! De armen zwaaiden neer. Ze bukte zich om de veters te strikken, die nog om haar voeten slingerden.

Het speet Gerard te moeten weigeren, hij zou haar graag een pleizier doen en allemaal, maar 't ging nu niet.

— Je moet naar je hoedjes.

— 't Atelier, jakkes. Miep plofte op een stoel bij de tafel, lurpte van de thee.

Gerard stond nog aan 't raam, staarde naar 't bootje, waarvan even nog een blank vlekje zichbaar was.

— Kom je nu ook eten? vroeg Jo met een brok in de mond.

— Ja, ja. Vlug kwam hij naar z'n plaats.

Er viel geen woord. Miep at met een pruimemondje, Jo gedachteloos met de oogen naar het stukje blauwe lucht. Gerard voelde de stilte als iets vijandigs, hij hakte met het mes op z'n bord, stak een groote brok in de mond.

— Nog eentje, Moes, zeurde Bep en stak het bordje buiten bed.

— Zeker, kind.

— Is 't wel goed, dat kind zooveel zoet te geven? vroeg Gerard.

Sluiten