Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MIA

den geheelen terugweg is zij stil en afgetrokken. Er is geen woord meer uit haar te krijgen.

De drie anderen geven het eindelijk op en beduiden elkaar met de oogen: Laat haar maar, wat een eigenaardig meisje toch!

Mijnheer Bartholdi is erg over haar tevreden. Een groote muzikale aanleg, een nerveus hartstochtelijk temperament, dat alleen nog niet genoeg in haar spel tot uiting komt. Zij geeft zich nog niet heelemaal, maar dat zal hij er wel uithalen. Wacht maar!

Een mooi kind met haar donkere oogen en fijngelijnd lichaam. Als zij speelt is zij volkomen een met haar viool, in houding en in beweging. Toch heeft zij iets vreemds, iets schuws en gewild koels en hoogs. Haar geheele wezen maakt een geforceerden indruk, alsof zij met geweld iets in zich onderdrukt, bewust of onbewust, dat weet hij niet. Zij interesseert hem bovenmate.

Zie haar nu eens staan daar, het kopje, fijn als een camée, schuin tegen de viool, met schitterende oogen en verhoogden blos. De strijkstok beweegt met forschen streek langs de snaren.

„Heel goed, heel goed!", prijst hij, als zij eindigt met een lang accoord, „alleen de houding van je hand, kijk de derde vinger, hier," hij neemt haar hand, zet haar weer op de snaren, maar zij trekt haar vingers plotseling terug.

Hij kijkt in haar oogen en lacht fijntjes. Ah, zoo, wat een raspaard je! Kan zelfs geen aanraking verdragen!

Zij speelt weer met hoog roode kleur, haar oogen strak op één punt gericht.

„Zoo, vertel mij nu eerst eens Mia, ben je wel eens verliefd geweest?"

Stom-verbaasd staart zij hem aan en blijft zwijgen.

„Ja, kijk eens, dat vraag ik niet voor de aardigheid, maar je geeft je niet genoeg in je voordracht, ik weet zeker, dat je beter kunt, maar het is nog niet voldoende ontwaakt in je, je slaapt nog."

„O, ja?"

Sluiten