Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MIA

moet je niet alles bekijken uit jouw gezichtshoek, die op het oogenblik niet heelemaal normaal is." Mia zwijgt.

„Vergeef mij maar, Eva, je bent zoo goed." „Ik wou, dat ik je kon helpen, Mia." „Je helpt mij al zoo."

„Waarom kwam je hier zoo aangerend, alsof iemand je op de hielen zat?"

De rust verdwijnt uit Mia's houding. Zij grijpt angstig naar Eva's hand. Ontsteld staren haar oogen.

„Breng je mij thuis, breng je me? Laat mij niet alleen!", jammert zij.

„Dat is goed, kindje, houd je bedaard."

Op den terugweg praat Eva zacht en vertelt van haar zieke kindertjes en van het ziekenhuis, waar zij heeft gewerkt. Kleine, fijne trekjes uit de kinderlevens brengt zij naar voren. Telkens kijkt zij in Mia's oogen om te zien of zij er wel bij is. En Mia luistert belangstellend, haar eigen gedachten is zij voor het oogenblik vergeten. Eva heeft haar doel bereikt.

„Nou Mia, houd je goed en geen morphine meer,"

„Nee, nee, zoo min mogelijk!"

„Ik geloof, dat het wel goed was, als je eens naar een psychiater ging."

„O, nee, ik denk er niet aan, ik zou hem toch niets kunnen vertellen."

„Nee, dan haalt het ook niets uit, natuurlijk, maar zou je nu maar niet liever een tijdje hier blijven?"

„Dat kan niet, dat kan niet, Eva."

„Waarom niet?" Eva kijkt haar recht aan, er is geen ontkomen aan.

„Och, Eva, heusch, ik kan niet, luister, maar je mag het aan niemand zeggen, hoor?"

„Natuurlijk niet."

„Er is hier juist iets, waardoor ik hoe langer hoe zenuwachtiger zou worden, ik kan je niet zeggen wat, maar ik moet weer zoo gauw mogelijk weg. Je hebt gezien, hoe ik vanmiddag bij je aankwam."

Sluiten