Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JACOB WINKLER PRINS

geen hout schelden, gingen ze stroopen. Meest op klaarlichten dag. Soms diep de Soerensche bosschen in.

Maar in Mei kon het heerlijk zijn te Buurlo; vooral de lucht: zuiver en zacht. Ik had mij in een schuurtje een nachtverblijf getimmerd; de reten dichtgespijkerd met reepen schilderdoek, en lag soms in mijn hangmat halve nachten naar de nachtegalen te luisteren. Mijn schuurdeur was aan den binnenkant met een dun touwtje gesloten. Maar nooit heb ik last gehad van iemand.

't Aardigste wat ik in Buurlo heb bijgewoond was 't schaapsscheeren: de boer zei „Shaapsheeren": op z'n AngelSaksisch. Midden-Mei bij goed weer was de tijd. De boeren uit den omtrek, die schapen weidden, eigene en vreemde, met eigen herder en hond en als loon niets anders ontvingen dan de mest, komen dan met boerenwagen en een flink paar paarden aangereden naar de „flesch" om bij het wasscheaj tegenwoordig te zijn. De herders en knechten grijpen de spartelende dieren met den rechter arm om het lijf, trekken ze het water in en gaan met de linkerhand flink door de wol. En als dan de schapen droog zijn, worden ze geschoren.

Hoog-Soeren

Wij kwamen nu tusschen het Hoog-Soerensche boschterrein, tusschen de hooge randen van den uitgegraven weg. Bij laag licht van den Uddelschen kant kan het hier tusschen de stammen fluweelig groen schitteren op de hoog uitgroeiende adelaars varens. En als de kuiven heenen-weer gaan in den wind, „als een branding wuiven", is het alles vonkverschieten wat men ziet. Ook op de dorre zacht-gebrand-okerige boschblaêren blijft het scheidende licht verhelderend hangen. En het mos op de basten van de parel-grijze beuken en de warm-bloedige eiken vertoont de grootste tint-verscheidenheid van groen tot in de van het licht gekeerde schaduwpartijen toe. Nu was het middag en de zon, op haar hoogst, boorde loodrecht door de zware boomkruinen en zoomde schitterende kantlichten langs de levende pilaren, en helle gloeistrepen langs het rossige boschtapijt. —«

Sluiten