Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JACOB WINKLER PRINS

NASCHRIFT

»Idylle«, de tuin op de hei, is een wonder en dat is zijn werk; het is een sprookje, dat nooit verveelt, een kunstwerk vol bekoring. Een naam gaf hij aan deze schepping niet; zij werd door een ander gegeven bij toeval, spontaan; werd juist bevonden en bleef bewaard. Toen namelijk kort na zijn dood zijn schoonzuster uit Rotterdam met haar man den tuin betrad na het openen van het houten hek, vol verlangen naar het landhuis bij den vijver, bleek de laan zoo volgegroeid, dat men kappen moest met een bijl om door het geboomte heen te komen. De oude-getrouwe, tuinman Hendrik, die met Jacob den tuin had aangelegd en altijd later met hem had meegewerkt, gaf aanwijzingen. Hem was door zijn meester gezegd alles zoo te laten als het was en daaraan had hij zich stipt gehouden. Zoo naderde men langs de lariksen het huis, dat op een heuvel is gebouwd. De vijver lag stil en uit de hooge boomen vluchtten de woudduiven.

,,'t Is een idylle, net Doornroosje", zeide mevrouw Winkler Prins, die onder de bekoring was gekomen van dit wonderlijk bosch....

Idylle! 't Woord was gesproken en sedert draagt het landgoed dien naam!

Tegen den heuvel, tusschen vijverpad en huis, plaatste 's dichters broer, Vincent, een grooten, op de heide gevonden steen en daarin grifte hij eenige woorden van erinnering.

Jaren zijn sedert voorbij gegaan, ook de lieve vrouw, die voor het eerst het woord »Idylle« op deze plek uitsprak, is heengegaan voor immer....

»God en de Dood zijn de grootsten der Grooten....«

»Idylle«, met wijs beleid verder in cultuur gebracht, werd door de jaren heen al mooier en mooier en het is heerlijk in den zomer daar te toeven; o uren van geluk en vrijheid,

Sluiten