Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET LEVENSRECHT

haar handschoenen voor zij haar zakdoek zocht. Onder het spreken was haar hoed stil in haar schoot gegleden. De gewone bezoekster, die zij misschien had willen zijn omdat dit moest, was zij allang niet meer, ze zocht en tastte met haar ziel naar een weg in deze woestijn tegenover haar, want dit moest, zij was zijn moeder die hij toch had liefgehad — en zij kan het niet helpen, zij is toch goed — had hij gezegd, zij houdt alleen niet van vreemden; anderen hebben haar leven ook zoo gemaakt; zij werd nooit bemind, had hij weer op een ander vertrouwelijk oogenblik gezegd, nu eischt zij veel, maar ze zal eens wel goed tegen je worden. Góéd was deze stugge ziel nooit tegen haar geworden — en het hoefde nu bijna niet meer. Of behoefde het toch? Hij was er.... hij was óók hier in de kamer. Ja, was dat dan toch nog noodig? Móést men den weg vinden naar haar, zelfs op den laatsten middag?

„Hoe.... is dan alles gekomen?.... vertel dat".... verzocht dan de strakke, in toom gehouden stem. Zij wilde niet zeggen: ook in mij is het vanmorgen aan zijn graf zoo wonderlijk stil geworden; hoe ik er kwam?.... en hoe ik heenging. Er is daar rust, en ik zal je niets verwijten; ga leven.... naar je begeeren, ik berust er in.... je bent goed geweest voor hem. Maar dit zegt men niet als men altijd gezwegen heeft, als men een jong schepsel haar plaats op het voor haar beschoren levenspad niet gunde. Sléchts wilde ze luisteren, de oude dame; en de jongste dacht: dit was reeds toenadering genoeg.

„Ik zal u dan zeggen.... en ook van lang terug.... toen we nog samen naar de studie trokken, naar de stad; wat was dat heerlijk! — hij zoo gezond, al was hij zoo tenger — en ik.... ik vond hem zoo fijn.... o, ik heb werkelijk veel van hem gehouden; ik mag u dat nu wel zeggen, moeder. Toen noemden wij samen u al moeder, want mijn moeder was mams, dat ging zoo vanzelf al lachten wij er wel eens om; later wisten we niet meer dat

we het deden, we hoorden zoo altijd bij elkaar.

Twee korte ziekten had hij tijdens onzen studietijd; ik had hem gezegd dat vader zoo knap was en hij riep vader,

Sluiten