Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET LEVENSRECHT

„Hij is waaksch, ja — en dat is prettig voor u — en rustig."

„Ja.... rustig."

„Hij zl mij wel missen als ik niet meer met hem wandel, maar Reinders kan toch.... of ü.... u zoudt hem best eens kunnen meenemen. Rudolf zou het heerlijk vinden, want als hij wist dat hij altijd lag dan "

„Neen, ik zal hem wel eens meenemen."

„O, wat is dat goed! U zult van Roland houden! Zal ik

dan morgen? Of hebt u het liever niet? Bent u niet

vroeg op?"

„Ik zal wel op zijn, maar doe het liever niet, laat

je auto niet stilhouden; ik zal met Roland op het bordes staan, maar als hij je zag of hoorde, dan.... hij zou zoo huilen en dat is zoo pijnigend, of hij zou over het hek springen en den auto narennen en dan.... hij kan ook zoo lang nahuilen."

„Dan zal ik niet.... en enkel wuiven. Dan ga ik nu. En zal ik schrijven?"

„Ja, schrijf nu en dan."

„Hier in 't dorp.... zal niemand spoedig over ons praten .... en trouwen doen we daarginds, dat beloof ik u. Dan wensch ik u het beste en veel sterkte, moeder, en misschien. ... tot later."

„Tot later".... zei de oude stem die toch wat week was. Het meisje hoorde het wel. En na dien kus was ze dan opeens snel weggegaan. De hond sprong voor haar uit en nam zijn ren reeds door den tuin en over den straatweg; bij de deur sprak zij nog: „Ik loop nog een eindje met hem door als ik bij huis ben; als ik dan terugkeer en hem een stuk terugbreng, dan komt hij wel weer naar u toe. Tot morgenvrog dan.... ik kom om half acht langs.... en ik zal gauw iets laten weten."

Hiermee liep ze nu op den straatweg, waar de hond als dol voor haar uitdanste. In de weelderige kamer van de groote villa stond de gestalte van de oude dame stokstijf alleen; zij hoorde dat buiten wel. Maar zij keek niet meer door de ramen, en het meisje keek ook niet meer om, moe-

Sluiten