Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE SCHIJNWERPER

vechten. Ik ben innerlijk (wijst op haar hart) zoo dankbaar, dat ik met hem mag samenwerken. En jij, m'n kind?

META. Ja, moeder, het is een heerlijke taak. We zullen een soupertje klaar maken, hij zal wel trek hebben. Hij komt toch met den laatsten trein?

Mevr. CARSTEN. Ja. — O, we zullen hem feestelijk ontvangen. Zou je denken, dat het geschikt zou zijn, als ik een enkel woord

META. Natuurlijk, moeder, als hij niet te moe is.

Mevr. CARSTEN. Hij te moe, om te hooren over den Vrede, zijn werk? Onverwoestbaar is zijn kracht, als het de Pax Mundi betreft.

META. Goed dan. Ja, het zal heerlijk zijn, hem weer hier te zien. (beiden af).

4e Tooneel. ANTON, daarna JAN CARSTEN.

ANTON (verademend, ze niet meer te zien, met avondblad, krant open, brommend voor zich), 't Staat waarachtig al in de krant ook, reclame, reclame.

JAN (robuust, 'n beetje ruw). Goeiemiddag, meneer de griffier.

ANTON. Wat, jij hier? Hoe gaat het in Veendorp?

JAN. Goed. — En hier thuis?

ANTON. Naar „omstandigheden".

JAN. Zoo, niet zoo erg?

ANTON. 'kZal 't je direct vertellen.

JAN. De dames uit?

ANTON. Mama —! Meta is op haar kamer. Ze zal wel dadelijk komen. Maar, hoe kom je zoo plotseling?

JAN. Ja, kerel, ik moest op een vergadering zijn vandaag en 't is me te laat geworden om terug te gaan. Kan ik blijven overnachten?

ANTON. Natuurlijk Als je tenminste de kleine

logeerkamer voor lief neemt.

JAN. Stel je voor — dus je hebt gasten.

ANTON. Dat wou ik je juist vertellen. Eén gast, waarde heer, maar die dubbel telt.

Sluiten