Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEE ZAKKEN APPELEN

gedeeltelijke verklaring moet worden gevonden voor het onaangename avontuur dat ons later zou overkomen. Laat ik met Daan beginnen. Daan ziet er, wanneer hij auto gaat rijden, beslist ongunstig uit. Er zijn menschen, die er, wanneer zij auto gaan rijden, sportief of zelfs deftig uitzien, maar Daan behoort niet tot dezulken. Hij is altijd zóó gekleed, dat zijn toilet er geen schade van zou ondervinden, wanneer hij plotseling gedwongen werd om op den modderigsten weg van ons vaderland onder zijn auto te gaan liggen en daar een langdurige reparatie uit te voeren. Met de deftige menschen heeft hij alleen dit gemeen, dat hij een speciaal tenue heeft om in den auto te gaan rijden, een speciaal vies tenue dan wel te verstaan. In de eerste plaats is daar de pet, de pet met de oorkleppen. Ik heb geen duidelijke voorstelling meer van het uiterlijk der destijds zoo beruchte Fransche autobandieten, maar ik ben overtuigd dat zij petten met oorkleppen hebben gedragen. Dan is er de jas, een regenjas, oud en vettig, welke alleen voor autorijden wordt gebruikt. De jas zou, vooral in het halfduister, niet zoon bijzonder ongunstigen indruk maken, wanneer daar de das niet was, een grijs-grauwe wollen bouffante, die Daan eenige malen om zijn hals slingert, en die dan als een soort van moeilijk bedwongen boa-constrictor binnen den jaskraag wordt gedwongen. Als handschoenen gebruikt hij beurtschipperswanten. Om nu geheel eerlijk te zijn, moet ik hier direct verkaren dat ik er zelf ook niet op z'n gunstigst uitzag. Een deukhoed, en een regenjas met een riem, zoo'n regenjas, welke aan jongemannen iets sportiefs, aan oudere mannen daarentegen meer iets ongunstigs pleegt te geven. Doch het erge was, dat ik mijn „plus-four" (of is het „plus-fort"?) aan had, een beeldige, lichtgroene, geruite wijde broek. Ik moet hierbij zeggen, dat de wereld er het alleen maar over eens was, dat de broek lichtgroen en geruit was; beeldig, vond ik hem; mijn naaste familieleden en enkele goede vrinden dachten er anders over. Vóór het wegrijden had Daan gevraagd: „Moet je in die slobberbroek mee? Het lijkt wel of je wilt gaan zakloopen." Ik had iets teruggemompeld over „be-

Sluiten