Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KAREL VAN DE WOESTIJNE

stoerder dan ooit gerecht heeft opnieuw aan zijn stuggen rug op de zuilen der zwoegende leden. Weelde van wildheid vervult de viervoudig-brullende lucht, en 't is of wij de aard voelen kraken. Bóven den wind, die stampend steunt op de zee, schuift een andere wind, een bevélende wind vol huilende woorden, een gelispel, een geratel, een geronk van woorden, en 't gefluit van elkander-kruisende signalen.«

III

Het is voor wie hem kende uit zijn werk en bij zijn leven een vreemde wetenschap: dat deze stem voorgoed heeft uitgezongen. Dat deze mensch, die behalve een groot kunstenaar een scherpzinnig geleerde en voortreffelijk journalist was, het leven be-eindigen moest juist in de jaren dat een nieuwe inkeer mogelijk bleek en het uitzicht opende op een tweeden bloei, die gelijk de eerste evenmin zijn weerga gekend zou hebben. Daarin konden de voorteekenen niet bedriegen. Het is niet anders....

Het zij mij vergund dit artikel te besluiten met een zijner vroegste verzen, dat nu plotseling van een smartelijke actualiteit is geworden:

»Wanneer ik sterven zal, vol dagen en vol lasten, met, aan mijn tafel, de twee broederlijke Gasten: Liefde, die glimme-lacht en troost, die woordloos treurt;

— zij zien mij beiden aan bij lange wissel-beurt aan 't laatste levensmaal dat wij gezaem genieten, en laten, uit den kelk van hunne handen, vlieten het welkom-water, dat het stof der reize wascht, over de voeten van den Dood, den dèrden Gast;

— Lieve, o troost mijner ooge', en gij mijn Liefde, o Leie — dan zal mijn hart voor 't laatst zich in uw zijn vermeien, en zal ik, groetend, dankbaar zijn wien, ongenood,

bij 't maal zijn plaatse neemt als bèdelaar: den Dood.«

Sluiten