Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ANTON PIECK

altijd met zijn prentkunst bezig. Uitgaan doet hij niet. ... dan om te teekenen. Hij wijdt zich aan zijn arbeid als een monnik, die bijbels overschrijft en brevieren verlucht. Ook dat minutieuze monnikenwerk ter verluchting van gebedenboeken heeft zijn hart. Zoo'n heerlijk met goud en blauw, rood en groen, geel en purper versierd kloosterboekprentje bewondert hij eerbiedig, evenals de fraaie rijke initialen en schoon beschreven perkamenten. Hij voelt de schoonheid van het handwerk. Zoo eerbiedig wil ook hij werken. En hij doet het! 't Gaat maar langzaam. Aan buitensporigheden bezondigt hij zich niet. Geniale stoutigheden zijn hem vreemd. Zijn talent ontplooit zich zonder heftigheid. Maar 't knopt. En bot uit. Als een kastanjeknop in het voorjaar, zoo rustigjes natuurlijk. Daar zit wijsheid in, dat zoo in zich laten gebeuren. De groote kracht, die in al het geschapene werkt, moet het doen en die doet het, langzaam en zeker. Dat is de religie van Pieck's gemoed. En de mystiek van zijn kunstenaarswezen, dat kan wachten. Wel iets zeldzaams in een jong artist en dat in een zóó roerigen tijd vol geroes van opwindende kunstideeën en haastige experimenten. Pieck blijft in dat tumult rustig en schijnbaar onberoerd. Hij oordeelt niet, veroordeelt nog minder, maar gaat kalm zijn gang. Haast tè kalm! Maar 't is winst voor de toekomst. Zalig, wie zich niet haast en.... den tijd heeft. Dat stille geluk blinkt straks aan in de zachte schijning van het nieuwe werk.

De titels van sommige etsen toonen, dat Pieck in 1920 niet zich beperkte tot de onderwerpen van oud-Hollandsche architecturen en rustieke buitenplekjes. Een reis door Duitschland en Oostenrijk, die hem aanleiding werd, vooral Pieter Bruegel den Oude te Weenen te bewonderen, verruimde zijn blik. Hij werd gepakt door de romantiek der oud-Duitsche gebouwen. Daarvan getuigde hij in zijn fantasieën van het slot Hohensalzburg. De invloed van Bruegel is te merken in de Markt te Neurenbreg (E. 105) evenals in de Opschrijving te Bethlehem (E. 96, 1919).

Sluiten