Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ANTON PIECK

maakten, zooveel beter dan eigen werk. Die bescheidenheid siert den aanvangenden kunstenaar. Maar er is een grens. Zelfvertrouwen en overtuiging, zekerheid van éigen kunnen moeten tenslotte de overhand krijgen, wil de kunstarbeid persoonlijk worden en eigen karakter toonen. Tot die verovering van zijn eigen stijl heeft Timmermans hem een ribbestoot gegeven. Die heeft Pieck frisch door mekaar geschud. Door zijn Pallieter, door zijn levend woord in den persoonlijken omgang. De spontaneïteit van den Vlaming werkte verlossend voor den conscientieuzen Hollander. Dat is reeds te merken in het leuk-ondeugende etsje Ijsvermaak (E. 80, 1918), waar drie patertjes over de plank het ijs verlaten en op hun schaatsen een boerenkroegje binnen zullen gaan. Voor het raampje neust een verbaasd gelaat. Helder en strak glanst de vrieslucht boven het stille landschap. Hoe gezellig dat herbergje op den oever! Op het uithangbord het nuchtere rijmpje:

Wat een geestige vroolijkheid dartelt in de kriebellijntjes van den drogen naald! Hoe schalk van vinding en genoeglijk in guitigheid is dit pittig prentje. Een voorbode! Een jaar daarna wiekt er weer zoon leuk vogeltje aan. Dat is E. 98 O, moeder de zeeman. Ook E 94 Huisje te Enkhuizen van een tijdje vroeger in 1919 heeft al iets van dien Camera-Obscura-achtigen humor. Een groote vooruitgang toont E. 105 Markt te Neurenberg (1920). In zijn houtsneden is Pieck voorloopig nog niet zoo ver. De nauwkeurige waarneming en geduldige nateekening van honderd-en-één ding geven Pieck de beschikking over een onuitputtelijk arsenaal. Gemakkelijk begint hij zijn materiaal te hanteeren en hij weet het steeds juister in zijn compositie toe te passen. In E. 98 is het geveltje met de luifel scherp van teekening. Wat is dat al blank en helder

»Wie had dit ooit gedagt Dat ik als weeduvrou Hier in dit vlugtend hart Een borrel tappen zou.«

Sluiten