Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE SCHIJNWERPER

WARNEX. Als hij ook maar niet tegen windmolens vecht.

ELLEN. Dat doet er niet toe. Laten „verstandige" menschen dat maar krankzinnig vinden. Ik vind het prachtig. Voor hem ook is het onmogelijke niet onmogelijk genoeg.

WARNEX. Daar is zeker wel iets moois in.

ELLEN. Iets moois? Het is het hoogste idealisme. Marcel wil het onbereikbare en hij wil het met zoon kracht, dat het wellicht niet onbereikbaar blijkt. Het is heerlijk met zoo iemand te mogen opstijgen.

WARNEX. Ik bewonder je idealisme.

ELLEN (plotseling fel op den man af). Jij meent er niets van, dat ik zoo ben.

WARNEX. Nee, in mijn hart niet. Maar misschien beoordeel ik je verkeerd.

ELLEN. Ha, jij dacht dat ik een huiselijk ideaaltje had.

WARNEX. Dat weet ik niet. Maar ik denk wel, dat jij je al die stijgingen laat aanpraten. Als je van elkaar houdt, dan vraag je niet hoever je komt.

ELLEN. Ik moet iemand naast me weten, die mij altijd weer opheffen kan. Ik ben zoo klein alleen.

WARNEX. En daarom kijk je uit naar een bekwaam beroepsopheffer. (Ellen kijkt hem niet-begrijpend aan). Als je lief hebt, ga je vanzelf omhoog.

ELLEN. Mijn droom bedriegt me niet. Ik voel heel duidelijk wat ik verlang. Maar misschien is er niemand, die zoo van mij houdt.

WARNEX. Ik zal altijd een goed vriend voor je zijn.

ELLEN. Jij? Jij voelt niets, niets voor mij. (heftig bewogen af, boek vergetend. Warnex triest, niet begrijpend, in stoel; dan achter af, als Jan opkomt uit zijdeur).

3e T o o n e e 1. JAN, dadelijk hierop ANTON.

ANTON. Nou wordt het hier toch compleet een gekkenhuis.

JAN. Zoo, vin je dat?

Sluiten