Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ANTON PIECK

zuiver van karakteristiek in de uitdrukking der bezielde oogjes en het warm bijeenhurken der vertrouwelijk dicht te zamen dringende dieren, hoe mooi van liefdevolle groepeering dit groepje van zeven aapjes ook is, toch is dit prentje te veel teekening naar de natuur gebleven. Daardoor spreekt het te weinig op afstand. De houtsneden van visschen en vogels, van kreeft en gordelstaart, die later worden gemaakt, missen actie, 't Zijn standen. Ze zijn minder afbeelding van het natuurvoorwerp en meer uitbeelding van de geesteshouding in den kunstenaar. Men kan ze beschouwen als open vensters op Pieck's gelouterd innerlijk. De Apen voeren U heen naar den Dierentuin, Kalkoen en Casuaris, Kreeft en Maanvisch leiden U binnen in de kristallijnen wereld van het kunstenaarsgemoed. Ze zijn de weigeslepen spiegels, die geestelijk licht weerkaatsen. Naar het uiterlijk zijn die dierfiguren een aantal witte en zwarte vlekken, schijnbaar onregelmatig van vorm, maar in die onregelmatigheid precies den vorm aannemende, zooals de beeldende kracht dien wilde. Die kunstenaarswil geeft al die nietige vlekken een geestelijke waarde. Hij is de levende spanning in deze zwarten en witten en bindt ze samen tot een harmonisch geheel van klare schoonheid. Hier is niet de chaos, maar de orde. 't Toeval spreekt niet mee. Zooals op de vleugels der vlinders kleurdroppels en tintvlekken in hun goddelijke schakeering een patroon vormen, wonderlijk als het ornament van een kunstig weefsel, zoo zijn bij deze houtsneden de witte en zwarte figuraties gegroepeerd in een componeerend stijlverband. Deze decoratieve stijl is echter niet monumentaal, noch synthetisch, noch symbolisch. Er ontbreekt de stoute vlucht van den geest naar de regionen van het Universum. Ook bij zijn styleering verloochent Pieck niet zijn aard. Het tragische en dramatische, het heroïsche en mystieke, het universeele en religieuze boeien hem wel in de beeldende kunst en literatuur, maar in eigen kunst vermeit hij zich het liefst in de intieme genoeglijkheden van het alledaagsche leven. De bloem der poëzie plukt hij niet op de steile hellingen der rotsen, maar aan de slootkanten van eigen land. Niet het algemeene maar het bijzonder geval,

Sluiten