Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ROMAN VAN EEN SCHILDER

„Ach wat! Hij is een idioot," bromde de schilder geërgerd.

„Hij is de beste, edelste en tevens rampzaligste man, dien ik ooit ontmoette," antwoordde Merker bedaard.

En met deze apodictische bewering was het chapiter afgehandeld en begon men over een ander onderwerp te praten.

VI

NOCTURNE

Van Baerle lag op zijn bed en kon den slaap niet vatten. Na een lichten sluimer was hij opgeschrikt en luisterde, klaar wakker. Er knaagde een muis achter het behang, rusteloos knauwde het dier met nerveuze tanden. Opeens verplaatste het geluid zich snel langs den muur en het klonk, of er een linnen lap in tweeën werd gescheurd. Vervolgens bleef het een oogenblik stil. Dan kraakte snerpend de kleerkast, driemaal achtereen — en onmiddellijk daarna trilde er dof en brommend een veer van den divan. Het was, of alle meubels in de kamer plotseling begonnen te leven. De schilder voelde, dat hij te overspannen was om nog in te dommelen. Ook scheen hem de warmte onverdragelijk. Hij legde zich op den rug en trapte de dekens van zich af.

Met open oogen tuurde hij in de duisternis. Op den wand tegenover hem schemerde een bleekblauwe lichtvlek, die zijn aandacht boeide. Zij vertoonde den vorm van een bloem. Het was een blanke herfstroos, die met ontplooide kelk zich naar den slaper keerde. Soms huiverden de bladen in den maneschijn, alsof een onzichtbare, bevende hand den stengel vasthield. Vluchtige schaduwen vloden er telkens langs den omtrek van het beeld. Zooals een bij, die honig komt puren, zweefde een dikke bromvlieg af en aan.

Opnieuw trilde gonzend de veer van den divan en de kunstenaar sprong overeind. Het was hem, of hij door

Sluiten