Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ANTON PIECK

maandschrift „Nederl. Indië Oud en Nieuw", welke alle gedrukt worden met cliché's van dezelfde clicheer-innchting. 't Is te zien, dat het machinale drukken de prentjes van Pieck heeft bedorven. Kreeft en Kloostercel (moet zijn: Oud venster in het Begijnhof te Lier! H. 28) zijn betrekkelijk goed. Maar toch, hoe koud is het wit, hoe dood het zwart! Ook zijn de lijnen te zwaar en te ongevoelig. Bij den Kreeft zijn de fijngespannen lijnen hier en daar verbrokkeld. Deze aanmerkingen moeten ook bij den Casuaris worden gemaakt. Het nobele en voorname is er uit; het zuivere is vertroebeld; het wit en zwart is vergroofd. Het fijnverzorgde dier met zijn zijdeachtige bekleeding ziet er verwaarloosd uit: de heer is een schooier geworden in gehavende plunje! Maar het meest bekaaid zijn er de Neushoornvogels afgekomen! Aardig plaatje, zal men zoo willen zeggen. Jawel! Als men het origineel niet kent. Leg dat er eens naast! Hoe grondig slecht blijkt dan de afdruk in het boek van A. van der Boom. De haarachtige kopveertjes zijn finaal weggeschoren. Wat griezelige stoppeltjes bleven staan. En de fijne teekening der vleugels, van dekveeren, pennen en staartveeren, die strak en groot is gehouden bij warme gevoeligheid van vorm, blijkt bijna geheel weggesleten. De kartelende lijntjes, pittig in het fluweelzwart van het gevederte craqueleerend, zijn niets meer beduidende kriebeltjes geworden, als waren het kleine vlokjes wol, zoo hier en daar toevallig neergezweefd in de harde inktplekken. Hiermede is niet bedoeld, „De moderne Houtsnede in Nederland" in zijn geheel te veroordeelen als drukwerk. Inderdaad ziet het werk er verzorgd uit en geeft het een denkbeeld, wat de Hollandsche grafische kunstenaars tegenwoordig presteeren. 't Is een verheuging, dat een dergelijke uitgave kon verschijnen, die zeker belangstelling zal wekken voor de wit-en-zwart-kunst. Maar het zware papier is fataal geworden voor Pieck's prentjes bij het machinale afdrukken. De vergelijking met Pieck's handdruk op het dunne Japansche papier leert inzien, hoeveel van dit goéd afdrukken afhangt. Men verstaat dan, wat de kenner bedoelt met „een slechten en een mooien druk" bij houtsnede en ets. En waardeert behalve de voorstelling in Pieck's gra-

Sluiten