Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NIEKIE

rook een zoet, heerlijk warm luchtje en even, voordat hij wist wat hij deed, was hij met zijn hoofd vlak bij het kleine kopje....

Een hand werd op zijn schouder gelegd en beschaamd stond de jongen plotseling rechtop. De vriendelijke verpleegster met het vroolijk e krulhaar boog zich glimlachend over hem heen en vroeg:

„Zou jij ook niet graag zoo'n klein lief zusje willen hebben?"

Alsof iemand hem geslagen had, zoo veranderde ineens het bewogen jongensgezicht. Strak stond het en wonderlijk veel leekNiekie plotseling op zijn vader.En schamper zei hij:

„Ikke niet hoor! Wat heb je daar an! Je kunt er nog geeneens mee spelen. Geef mij maar liever een wit konijn met rooie oogen! Daar heb je tenminste wat an!"

En hooghartig draaide hij zich om en keek weg van de wieg.

De zuster was geschrokken en zachtjes sloop ze de kamer uit naar beneden....

De donkere vrouw naast 't bed rechtte haar rug en geïrriteerd dacht ze: Daar heb je 't weer. Nooit was die jongen 't zelfde. Atijd wilde hij weer wat anders hebben. Eerst hemel en aarde verzetten om een konijn. Toen hij het had, vond meneer er niets aan, want hij wou een zusje hebben; naar het konijn keek hij niet eens om.... En nou plotseling weer gek op dat beest, en een zusje was lucht. Een knap mensch, die daar wijs uit werd. — En, overvol, begon ze geïrriteerd te praten en te vertellen.

In het groote bed lag de moeder met afgewend gezicht. In haar oogen waren tranen, die ze met alle geweld verbergen wou. En ze zag Niekie — Niekie van een paar maanden geleden, fel levend in haar herinnering staan. Nu stond daar een andere jongen voor 't wijd open raam, met zijn rug naar de kleine wieg; achteloos peuterde hij aan de kleine cactusjes in den grooten, groenen pot. .. .

En de donkere vrouw bij het bed praatte.... praatte....

Rijswijk (Z.H.), Maart 1927.

Sluiten