Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KRONIEK DER LETTEREN

strekt niet, want al kunnen we dit boekje op zichzelf nu niet zoo erg waardeeren, we speuren daarin toch wel degelijk de fijne psychologische aanvoeling van de schrijfster, telkens als ze haar hoofdfiguurtje uitbeeldt.

Het is de geschiedenis van een plattelands-domineesdochtertje, dat zich zelf met een lieve blijmoedigheid en een heldhaftig ontkend, want geweten, zelfbedrog offert, eerst voor haar ouders, later voor haar broers en zusters, die allen dit offer

— en daarin culmineert de waarlijk fijne tragiek van dit werkje

— rustig aanvaarden, omdat Ton — zoo heet ze — nu eenmaal zoo is en «om die dingen toch niet geeft».

De geschiedenis is aanvankelijk met vaste hand geschreven en werd ondergebracht in een serie van dertig korte hoofdstukken, maar de schrijfster laat in al die hoofdstukken het zoeklicht zoo sterk op de hoofdfiguur vallen, dat alles er omheen voor ons wat vaag en schemerachtig blijft.

We leeren noch den weg kennen in het dorp, noch in de pastorie, noch later, elders en de bijfiguren, de ouders, de andere kinderen, de vrienden en kennissen van Ton, ze bewegen zich voor ons als schimmen en schaduwen in Ton's leven. En zoo we nog eens over Ton nadenken, dan blijkt er in onze heugenis van al die bijpersonen ook geen spoor te zijn achtergebleven.

Ziedaar tevens de fout, die het werkje als compositie aankleeft.

Het geval-Ton is niet belangrijk genoeg om steeds de obligaat-partij te kunnen spelen en dat wreekt zich wel allereerst bij de schrijfster, die merkbaar vermoeid in het tweede gedeelte van het verhaal haar scheppingslust voelde verflauwen en Ton dan ook maar geheel onnoodig dood liet gaan. Niet Ton werd ziek en stierf, Mevrouw Van Nes-Uilkens, maar in u zelf ging er iets dood.

Het opvallende in dit boekje is overigens de ouderwetsche kijk, dien de schrijfster op menschen en dingen heeft. Als een der dochters uit het domineesgezin om ietwat onnaspeurlijke redenen naar een «deftige» meisjeskostschool wordt gezonden, dan durft ze daar niet te vertellen, dat haar zuster onderwijzeres is of wordt, »want deze rijke meisjes vonden onderwijzeres niet veel hooger dan dienstbode«. Kom, kom, Mevrouw Van Nes, meent u heusch, dat de meisjes van »Het Kop,e« b.v. tegenwoordig nog zoo bekrompen zijn?

Saamvattend is onze indruk ten slotte: vriendelijk en beschaafd, maar wat onbeduidend.

Sluiten