Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WIND OP DE MOLENS.

Een droeve stilte gleed van de muren. Mamie raakte hem aan den arm.

— Pa, 't is Dries Abeels, die ons paddestoelen heeft gebracht.

— Dries Abeels! ah ja!

Een glimlach, een bleeke kleerte ontspande zijn gezicht. Hij drukte hem de hand, heel en gansch bij zinnen thans. Hij sprak bijkans blijzaam:

— Ziedaar het echte weer voor Vlaanderen teruggekomen, Dries Abeels! 't Regent op de kleine dorpkeris. De menschen kruipen dicht te samen bij het vuur. De boot dreef met mij zoetekens naar de zee.

Met een heel andere stem ging hij verder:

— De zee.... de zee. Al met eens zal ze er zijn en ze zal klotsen over de dorpkens. Vriend Dries, dan zijn wij er niet meer.

Mamie schudde den paddestoelen-struif op een tinnen schotel uit, die zwart was als oud zilver. Ze zette de smorende schotel, die lichtjes rook naar rozemarijn, neer op het ammelaken. Jooske bracht het brood en een stoop bier. In de keuken hoorde men het Heken van de vischkes die bakten in de boter.

Dries voelde zich verteederd als Mamie moederlijk den ouden meester een jas van warmen wol aandeed in plaats van dezen door den regen nat gemaakt. Goeie God, peinsde hij, als ze dat eens voor mij kon doen! Hij pikte met geweld zijn vork in de paddestoelen.

Maris was weer teruggezonken in stilte. Hij at met kleine beetjes, rolde 't brood tot bollekens tusschen zijn vingeren en zijn oogen dreven verloren den kant der Leye toe. En andermaal was het huis weer triestig. Poppie kondigde plots plechtstatig de komst van den visch aan. Mamie, heel en gansch roze van het vuur, diende het lichte en smakelijkgekorste baksel met het witte vleesch en het vel van goud en robijnen op. Eerst dan zette ze zich ook aan tafel. Heel de kamer lachte opnieuw, de visch kraakte onder de tanden als wafels. Dries vond dat hij wel zou kunnen blijven eten tot 's avond toe.

Sluiten