Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE OPVOLGSTER.

namelooze melancholie had het leelijke in zijn zoo goedig gezicht vervaagd.

Den notaris, die van den eerlijken toegewijden jongen hield, ontging dit alles niet. En op een dag, dat Piet op het verlaten klerkenkantoor bezig was met het bij-politoeren van het telefoontafeltje, kon de heer van Voorst, juist binnengekomen om iets in het archief op te zoeken, zich niet weerhouden te vragen:

„Wel Piet, ouwe jongen, is er iets, dat tegenwoordig niet naar je zin gaat? Is je vrouw of je kind niet in orde? Je ziet er den laatsten tijd zoo bezorgd uit! Kan ik je met iets helpen?"

Piet liet van schrik het politoerpropje vallen. Een diep donkerrood bewaasde eensklaps zijn gezicht, alsof hij met een schijnwerper belicht werd, en ondanks zich zelf, moest de notaris lachen om de opvallende verandering, die zijn goed bedoelde en onschuldige woorden in Piet teweeg hadden gebracht. Als hij hem van moord of diefstal had beticht, had de uitwerking van zijn woorden niet erger geweest kunnen zijn.

Piet keek onthutst, alsof iemand 'n veilig neergelaten gordijntje, waarachter geheimzinnige dingen gebeurden, plotseling had opgelicht en hij hakkelde iets onverstaanbaars ten antwoord. Maar notaris van Voorst trad op hem toe en beklopte goedmoedig zijn schouders.

„Ik wil niet onbescheiden zijn, hoor jongen! Ik verbeeldde mij alleen maar dat er iets was, dat je hindert. Des te beter als ik mij vergist heb! Maar, als er eens iets is, je kunt me hier altijd tegen half zes vinden. Als de heeren hier om vijf uur weg gaan, werk ik altijd nog een poosje door, dat weet je!"

Piet, gekalmeerd nu, had zijn woorden weer tót zijn beschikking.

„Ik dank mijnheer hartelijk. Der is niks. Niks bizonders ten minste. Me vrouw en de jongen zijn goed.... Maar ik dank u toch heel vriendelijk."

Sinds dien dag bestond er iets tusschen de beide mannen, een zekere gevoels-nuance, waarvan niemand iets veri 3

Sluiten