Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET HUWELIJK VAN PANCRATIUS PERPENDIEKEL.

van je hersens, gehuld in een waas van gekante, witte rokken, als morgendauw. Ik vergelijk. Betrap me er op, dat ik begeer een winkeljuffrouw met een poppengezicht.

„Laat dat ding toch wegbranden!" zeg ik geïrriteerd tot m'n vrouw.

„Welk ding?" vraagt ze onthutst.

„Nou, die wrat in je nek!"

'k Zei: die wrat! 't Is zoo'n onbenullig klein vlekje als een verdwaalde lins op een bord.

„Je hebt 't wel eens pikant gevonden!" antwoordt ze. „Overigens ben ik geen toiletzeep-reclameprent, die je een erotische offerte gemaakt heeft!"

Zwijgen. Ze staat op. Treiterend langzaam trekt ze haar peignoir aan. Dat blauwe ding staat haar toch wel goed. 't Bleeke, smalle vrouwengezicht teekent beschaving, esprit.

Ik vecht tegen mezelf, voel me een lammeling, een idioot. Dat is ook geen manier om je eigen vrouw te behandelen als de eerste de beste kantoor lummel, denk ik.

Ze stapt de kamer binnen. Geen kus, geen morgengroet.

„Goeie morgen!" zeg ik, ostentatief. Geen antwoord. Ze reageert niet. Zooiets windt je op, dat zet je hersens in actie tot grievende, leelijke, krankzinnige verwijten, die je mir nichts dir niohts er uit opdiept, om ze als een handgranaat, pasklaar, naar iemands hoofd te slingeren. In afwachting daarvan begin ik te zingen.

Da's gemeen, schandelijk, infaam, perfide! Dat doen alleen menschen met boosaardige karaktertrekken! Zoo denk ik.

„Noch ist die blühende, goldne Zeit! „Die Tage der Rosen !"

M'n stem klinkt me als een gruwelijke dissonant, als 't geluid van een leege, blikken bus, die over de straatsteenen geschopt wordt, in de ooren.

Maar ik heb succes! Haar smalle doorzichtige neusvleugels beginnen te trillen. Een zenuwtrek om haar mond verscheurt m'n hart. Toch kan ik 't niet laten!

Sluiten