Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET HUWELIJK VAN PANCRATIUS PERPENDIEKEL.

Onderwijl vervloek ik mezelf.

„Pan," zegt ze eindelijk nerveus, met taaie zelfbeheersching, „wil je nu alsjeblief niet zoo luid schreeuwen ? Beppie is zoo knorrig als ze door lawaai gewekt wordt!"

„Lawaai? Noem je dat lawaai? Jij maakt lawaai!"

Ik word misselijk van het woord 1-a-w-a-a-i.

„Jij gooit de stoel haast omver, jij smijt met m'n pantoffels, jij... .!" zeg ik met een rood hoofd.

„Laat dan ook niet alles achter je liggen. Je maakt een tweede-handswinkel van de kamer! Daar ligt je copy, een vlek van je vulpen op 't tafelkleed. Waarom werk je niet aan de schrijftafel? Die copy krijg je overigens nooit geplaatst ! 'k Heb haar gisteravond willen corrigeeren, 't Begin is goed voor...."

Daar vlieg ik, nog voor ze uitgesproken heeft, op af als een stier op een rooden lap.

„Mensch, sis ik, je kritiek komt te vroeg, 't is nog niet eens afgewerkt!"

Wonderlijk, hoe je een vrouw beleedigt, als je zegt, dat ze een mensch is!

Ze antwoordt niets meer. Ik zie alleen haar wanhopige pogingen, tranen van gekrenkte trots te verbergen. Meestal ben ik dadelijk ontwapend als ik die langs haar neus zie glijden.

Nu niet ! 't Is me een sadistisch genot, een tegengif voor m'n verbrande vingertoppen, die weer liederlijk pijn doen, omdat het vuur van m'n sigaret er te dicht bij komt. 't Brengt als vanzelf de gedachte aan dat verdomde wratje. Hoe kan je zoolang zoo'n onooglijk ding op je huid velen?

Intusschen loop ik in de kamer heen en weer als een brieschende leeuw en blijf met de schroef van m'n versleten gummihak in 't vloerkleed haken, waarbij ook de theepot, door een dwazen slag in de lucht van m'n arm, 't leven laat.

Ik vloek. Goddelijk! eindelijk een reden om te vloeken. Maar 't lucht me niet op. 't Kleine sleetje in 't tapijt is een groote, gerafelde plek geworden. Met een stoffer probeer ik de theebladeren op 't blik te lanceeren. Ze pakken als klitten in 't weefsel, 't Zweet breekt me uit.

Sluiten