Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OUD CHINEKSCHK KUXST.

zooals- die in de rivier gevonden werd; sterk geornamenteerd met de donderwolkmotieven van de mystieke bronzen in Choustijl. (Hanperiode 206 v. Chr.—221 n. Chr., collectie A. Volz.)

De paleisvazen hebben den vorm van den ouden „Hu", een brons, waarvan het kapiteel der Tsun tot een breeden kanvorm is uitgezet en het hoofddeel vormt. De „Hu" werd in het keizerlijk paleis tijdens de Handynastie gebruikt als keukengerei voor het bewaren van water of wijn; de „Tsun" bevatte een „wijn" van kruiden bij de ceremoniën van den voorouder dienst. Sedert den Sungtijd (960—1278), toen o.a. Keizer Hui-tsung een uitgebreide verzameling van oude bronzen en jaden bezat, welke in catalogi met houtsneden werden beschreven, begon men vorm, bouw en ornamentiek van het antieke vaatwerk te imiteeren in de Jadekunst. Ming, Kang-hsi en K'ien-lung brachten daardoor vazen voort gelijk de beschreven voorwerpen. Zij zijn in drie soorten in te deelen: 1. vazen, die de sacrale bronzen zorgvuldig imiteeren; 2. vaatwerk, dat een interpretatie is van de archaïeke bronzen en door de verbeelding van den werkmeester de traditioneele vormen en ornamenten omgevormd en vervormd toont; 3. vazen in barokstijl, waarin de fantasie van den sierkunstenaar het vaasvlak gebruikt voor de geraffineerde uitbeelding van natuurvormen, planten en dieren, der Taoïstische symboliek. Meestal echter hebben de voorwerpen uit één dezer groepen in meer of mindere mate de eigenschappen van de andere soorten, wat uit de reproducties duidelijk blijkt.

Wie meer van de aristocratische Jadekunst wil weten en zien, dient gebruik te maken van Laufer's „Jade" en de prachtwerken Early Chinese Jades by Una Pope-Hennessy; Ernest Benn, London, 1923, en Jades archaïques de Chine, appartenant A. M. C. T. Loo, publiés par M. Paul Pelliot; G. van Oest, Paris et Bruxelles, 1925.

Sluiten