Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KEN JÜDITH.

Het breede, bleeke gezicht van tante was in dat van Adolphien herhaald, maar dat der moeder was levendiger. Een onderdrukte levendigheid; schuwheid lag er over, een schuwheid die nooit weg was. Maar toch, meer mensch dan de dochter, die niets dan gedruktheid was, met iets geestelijk onuitgegroeids. Zij scheen aldoor te luisteren, en spoedig mompelde ze dan ook iets van „de koffie" en ging naar de keuken.

Een oogenblik daarna kwam oom binnen, en zei onvriendelijk :

„Is er nog geen koffie?"

Tante liep nu ook naar de keuken, en een oogenblik daarna kwam ze terug met zijn kop koffie. Hij had intusschen op een stoel bij het raam plaats genomen, en beet op zijn nagels, zonder het logeetje zelfs aan te kijken.

Het meisje leefde, in de dagen die nu volgden, twee levens. Het grootste deel van den dag was zij buiten. De dokter had het haar op het hart gedrukt; als je daar nu thuis blijft, heb je er niets aan; en zij, verstandig en plichtmatig, zette het door, weêr of geen weêr. Niemand verzette er zich tegen, zelfs oom niet.

Geen der anderen ging eigenlijk ooit uit, dan even om een boodschap. Zij hadden éven goed in een achterstraat van een groote stad kunnen wonen, vond Cathrien. Zij vond nog meer, want zij was critisch. Ze vond iets vreemds aan dit gezin, iets drukkends, iets waarop zij niet gerekend had. Er was geen verbloemen aan: ze vond oom een kreng.

En daarom was naast haar buitenleven, dat andere leven, teruggedrongen tot de maaltijden, het helpen afwasschen 's morgens, en een uurtje 's avonds in het gezin, eigenlijk een kwelling.

Oom Piet was een huistyran, de nijdigste en grofste. Hij leefde in een toestand van verbittering en kwaadaardigheid, die nooit afliet. De twee ongelukkige vrouwen, den heelen dag afgesnauwd, gesard, gebrutaliseerd, soms gestompt en geslagen en zelfs op een gluiperige manier geknepen, sche-

Sluiten