Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN JÜDITH.

was nu ook voor haar onverdraagzaam, en toen zij 's middags wilde uitgaan, was er een scène.

Nu hij zelf niet uit kon, scheen hij het kwalijk te nemen, dat een ander wou gaan, en daar men meer dan ooit bang was hem tegen te spreken, bleef het kind zitten, in dit huis waar zelfs geen boek was, wrokkend. Tegen vier uur besloot zij, een brief naar huis te schrijven. Zij had dit elke week gedaan, een kinderbrief waar niets in stond dat den ontvanger wijzer maakte, en geen enkele klacht. Ook nu had zij geen plan te klagen; zij wou vooral wat hooren hongerde naar nieuws van thuis. Vader had eens teruggeschreven, met veel bijzonderheden.

Toen zij haar voornemen uitsprak, zei oom niets, maar nauwelijks was ze boven op haar kamertje gezeten, en begonnen, of tante kwam, schuchter, met de boodschap dat oom er op stond, den brief te lezen.

Dit maakte haar geheel overstuur. Het was niet zoozeer, dat zij zijn recht in twijfel trok, of omdat zij iets had willen schrijven dat hij niet lezen mocht, maar het denkbeeld verlamde haar geest en hand. Zij bleef werkeloos, en bleef tot het eten overgegeven aan bittere boosheid. Nu zij niet meer uit kon gaan, was het toch niets voor haar, hier. O, Was die man er maar niet! Haar gedachten namen stoute sprongen, waar zij zelf van schrok. Wat een leven voor die twee vrouwen! Hoe had zij met ze te doen. Zij voelde een soort van kampioenschap in zich, als zij aan het lot dier beiden dacht. Wat een opluchting voor allen, toen hij een paar dagen boven bleef. Kreeg hij maar weer wat. Maar dan zou die dokter weer komen, om hem beter te maken. Waarom toch? Was het geen zonde, dat zoon goede en knappe man als de dokter, zoo iemand moest gaan genezen?

Dit zachte wezentje, dat weinig van het leven eischte, werd hard toen ze zoo dacht. Die hardheid vond ruwe woorden. Ging hij maar kapot! Met dit mooie weer moest zij thuis zitten mokken, zij die de lucht noodig had, zij die thuis zoo slecht gemist kon worden, wier hart trok naar de velden, de hei, het bosch, bloei en groei. En die andere twee. Alles leefde in dit huis voor dit nare, valsche man-

Sluiten