Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

126

DE DONKERE DRANG.

ken.... voor altijd.... Al lag ze daar zoo onbewegelijk, iederen huil van den wind hoorde ze komen, als een beest brullend zijn flanken uitzetten, ze hoorde het monster steigeren, aanzetten, met een gerekten gil de huizen bestooten, om jankend verder te gaan in krimpend geloei, verder.... naar de wijdte, de vlakte.... of als in razende kolk weer naar de zee.

Soms, even, opende ze de oogen en keek naar het jongensprofiel daar onder de lamp; hij tuurde in een boek, het hoofd rustend in de handen, de ellebogen op tafel; maar slechts een oogenblik keek ze naar dat ernstig, gebogen, in spanning verstrakt gezicht van haar zoon, wetend, dat hij moest leeren én dat hij soms haar blikken voelde, waardoor hij zou opkijken. Hebt u iets, moeder? vroeg hij dan. Ze zou hem niet storen — en weer lag ze als slapend — terwijl de stormvlagen langs het huis beukten en de regen nu kletterend daar doorheen sloeg. Dan keek de jongen ook even op, en tersluiks naar zijn moeder, maar hij zei niets.

Haar oogen, in het glijden daareven door de kamer, waren weer op den scheurkalender gevallen: vier November. Vanmorgen reeds had die datum haar in doodelijke kwelling aangekeken. Ze legde nu haar hand tegen 't hart waar weer die doffe pijn vlijmde, vier November.... vannacht werd het een jaar.... Noodweer toen, de storm van nu kon men er niet mee meten, toen.... als het spook van den orkaan op zee ronddanste.... en hij niet was weergekeerd. Een jaar — een jaar was dit al gedragen, men leefde nog, al had men toen gedacht dat het niet mogelijk zou zijn het leven alleen voort te zetten — met den jongen. En toch.... had zij al die jaren van haar huwelijk er niet voor gevreesd, zij, die van ver was gekomen en nooit een zeemansvrouw had kunnen worden? Om naast een man te staan, die als een rotsvast stuk van de natuur immer gereed staat zijn plicht te volgen en die voor niéts terugdeinst, om voor zulk een man de ware vrouw te zijn, moet men hier aan de kust ook zélf het levenslicht aanschouwd hebben, men moet zijn opgegroeid met de elementen, de eenzaamheid,

Sluiten