Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ÜE DONKERE DRANG.

133

ding kon zieden en koken, de kop, waar het huilende monster zijn klauwen als te pletter sloeg tegen de pieren en tegen de steenen wering. De storm loeide boven hem uit en de rukkende, stootende vlagen van den aansteigerenden wind wierpen hem bijna omver, toch hield hij zich en stond er geleund tegen de palen, die in aangesloten rij den dijk naar de huizen toe beschermde. Het was een smal steenen pad, waarover ook de wind beukte en hem striemend het schuim van de golven in het gezicht sloeg, wat nood — achter zich hield hij zich aan de palen — hier stond hij — als een overwinnaar óók — hij was vrij!

Hij was vrij! En laat de wind beuken, een jong menschenkind omwerpen zelfs, hij wil het zien.... hij wil het zien, wie de sterkste is. Hier had hij vroeger ook zoo vaak gestaan, toen hij zijn wensch nog niet verloor — maar nu had hij hem weer. Inééns had hij zijn geluk teruggekregen, op dezen dag, nu een jaar terug.... Had zijn vader misschien gesproken?.... Hij hoorde toch óók zijn stem nog wel. Ginder was hij —■ nooit gevonden — en toch wilde hij nog in zijn vaders voetstappen gaan. Hij kon niet anders.

En het was hem, terwijl hij daar in het verlaten duister stond en de storm hem omloeide, de schuimvlagen hem bespatten, of over de hooge golven de boot van zijn vader naar hem toekwam, het was of hij naar zijn vader ging, of hij hem inééns had weergevonden. Hij ademde diep. Hij moest kiezen — nog eens — maar het hoefde niet meer, het was tusschen zijn moeder en hem al gezegd.

Zij zou later vaak alleen blijven.... zooals met vader .... zij zou. ... van weggaan had ze ook gesproken; maar waarom moest dat? — dat moest niet zijn; zij moest blijven en zien, hoe hij.... Maar kon haar dat wel vreugd geven? Was ze ooit één dag gelukkig geweest als vader er vroeger niet was?

En het was hem, als zag hij ginder een kleine boot, die van hem wegging: zijn moeder.... Die van zijn vader was torenhoog op hem aangekomen, maar wat daar wegdreef .... en nu boog hij zijn hoofd, wijl op een ruk van den wind een vlaag water hem over het hoofd was geworpen.

Sluiten