Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

166

VERZEN.

III.

NETTEN BOETEN.

Bij 't groen kanaal, in helmblond dal van duin, Omwaaid van zeewind, die haar bloei komt zoenen, — Een krans van tulpen, rozen en pioenen, Ontloken pralende in een zomertuin, — De blanke meisjes boeten sombre netten, Waar zilvren visch zijn vrijheid laten moet. En de éene lacht, vol jool en overmoed En andere ernstig op de mazen letten.

Langs 't glanzend water donkert hoog de laan. Aan d' oeverberm staan berkjes blank te beven.

Eén meisje mijmert over 't visschersleven En d' angst der vrouwen: — Zal de boot vergaan? Maar 't is haar lot: een hutje aan zee en wachten En biddend schreien in de storremnachten.

Sluiten