Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

172

TOONEEL-OVERZICHT.

Genesius aardsch hartstochtelijk liefheeft, en zonder hem niet meer kan leven.

De Genade, dit is zeker wel 't minst theatrale en minst pathetische, want zuiver mystieke, om uit te beelden op het tooneel. Van Dalsum als Genesius heeft zich een voortreffelijk kunstenaar getoond, hij heeft ontroerend weergegeven, hoe de rol van Adrianus zich langzaam aan van Genesius meester maakte, maar in de sfeer der Genade heeft hij maar in twee tafereelen der velen waarlijk gestaan. Eens was dit toen hij van zijn broeder Felix — zeer schoon en rustig gespeeld verheven gespeeld door Henri Eerens — de geweldige woorden van Evangelische liefde hoorde, en deze zijn ziel murw sloegen. De geheele scène van dit onderhoud met zijn broeder was doortrild van het verhevene waar het hier om ging. En een andermaal was het, toen Genesius uit het verhoor van Adrianus geweldige mystieke waarheden te hooren kreeg, die tegen zijn heidensche ziel aan klopten, en er de Genade deden binnenstroomen.

Gedurende de geheele laatste acte, waar het juist op aankwam, was van Dalsum echter uit de mystieke sfeer der genade weg, en in het zwaar pathetische en theatrale, dat er geheel en al uit was. Wat met straling van innerlijken vrede en verzaliging van bevrijding en verlossing, in goddelijke „Aufklarung" alleen kan bereikt worden, kan niet worden verkregen door zwaar pathetische stemuitzetting en breed tooneelgebaar.

Het lichtere genre van tooneel werd de laatste maand vertegenwoordigd door een blijspel Tilly van Francs Stahl en een, Jeugd (Jap the Flapper) van W. Sherford (pseudoniem van een Hollandschen schrijver?), beiden door het Nieuwe Rotterdamsche Tooneel, een blijspel De Revue Girl van David Gray en Avery Hopwood, door het Rotterdamsche Hofstad Tooneel, en.... Dokter Klaus van lArronge door Het Schouwtooneel.

Men kan niet zeggen dat het Nieuw Rotterdamsch Tooneel bizonder gelukkig debuteert. Al de tot nu toe door haar opgevoerde stukken zijn niet veel zaaks, en toonen allerpijnlijkst de zwakke zijden van het gezelschap. Behalve mevrouw Tartaud, Jules Verstraete en Hans van Ees, en Aleida Roelofsen (die echter slechts éénmaal in een haar gansch niet passende rol van een écuyère optrad) waren er slechts zwakke en zwakkere broeders en zusters op de planken. In Tilly kregen we de ouderwetsohe adellijke dame nog eens te genieten, die met een rijken burgerman is getrouwd en al haar standsvooroordeelen lucht, en den niet minder traditioneelen lispelenden niais van een baron, die het in de liefde moet afleggen tegen een straatarmen huisonderwijzer. In „Jeugd" werden we getracteerd op een vrij mal, onbelangrijk wicht van een 16-iarjge Amerikaansche „flapper",

Sluiten