Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

182

KRONIEK.

De strijd dien Inger Skram te voeren heeft aan de zijde van haar man Danielson, is wel heel zwaar, soms te zwaar voor haar. Hij bedriegt haar in haar eigen huis met de meisjes, die in het restaurant werken en zelfs als zij haar zesde kind van hem verwacht, treft ze hem aan in teedere houding met één der meisjes.

Zij werkt, ondanks elk leed en elke beleediging, en het restaurant wordt groot en beroemd. Het gezin brengt het tot groote voorspoed en welvaren. Inger kan haar kinderen een goede opvoeding geven en veel laten leeren, maar toch is ze niet gelukkig, het groote geloof en vertrouwen van haar vader is zij verloren. Ze is hard, bitter en cynisch geworden. Het is echter eerst in het ongeluk, als alles om haar heen in catastrofe uiteenvalt, dat haar hart en ziel geheel vermurwd worden, en de Goddelijke liefde er binnen gaat stroomen over alle smart en trots en vernedering heen.

Zij wordt ziek, meer dan een jaar lang, de zaak verloopt, de klanten blijven weg, haar man sterft en de kinderen moeten aan vreemden worden toevertrouwd, terwijl twee er van sterven. Het komt zelfs zoo ver dat de eens zoo trotsche, rijke Inger Danielson genadebrood moet eten.

Dan eindelijk is haar cynische trots gebroken en haar ziel staat aan alle kanten open voor de Goddelijke liefde en zij kan met volle overtuiging roepen, wat vroeger in haar jeugd haar vader riep: „Geschiedde niet mijn wil, Vader, maar de Uwe!"

Zij komt tot het laatste stadium, waarin zij allen die haar leed en verdriet berokkend hebben, vergeeft en liefheeft en als wij aan het einde van het boek van haar sterfbed lezen, zit ons een prop in den keel en met een drogen snik sluiten we het boek, maar in ons is iets gaan leven. Een blijdschap, een gevoel van rijkdom, dat er in onze verworden tijden nog vrouwen zijn, die zulke boeken schrijven. Die zoo moedig een ernstige levensles de wereld in durven sturen, door eenvoudigweg de geschiedenis te vertellen van een strijdende en lijdende vrouw, die in het Evangelie van Gods genade eindelijk haar rust vond.

Nog een heel, fijn mooi figuurtje in dit boek is Inger's

Sluiten