Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DK VEERSCHE HEKS.

dom te verkrijgen. Lot Pauwelsz had hem reeds meer dan eens schoone beloften gedaan en hem huis en hof beloofd, zoo hij zich wilde vestigen. En dan, als terloops, vestigde hij 's jongelings aandacht op de zwoegende Annemarie, die hem een knecht uitspaarde en van garen wist en een zegen beloofde te zijn voor den borst, die haar huwen zou. Maar Adriaen, die wel begreep, waar zijn oom heen wilde, antwoordde niet, en, alleen gelaten in zijn arbeid, dacht hij vaak aan de andere, aan de jongere Geertruyd, die stillekens in 't huisvertrek zat als haar zuster met haar pleegvader zwoegde en sloofde, en vaak dacht hij, de oogen half gesloten, aan den middag, toen hij haar gevonden had voor haar spinnewiel en zij zich verlegen had betoond tegenover den fieren vreemdeling, die in de rustige woning was gekomen,

De herfst en de winter kwamen en gingen, 't Voorjaar daalde wit gebloesemd op Walcheren, In 't huis van Lot Pauwelsz werd er weinig van bemerkt. Alleen Geertruyd wachtte met ongeduld de eerste warme lentedagen na den wintertijd.

Maar nu was het voorjaar gekomen en 't meisje was het huis ontvlucht en een eindweegs den Arnemuidschen dijk langs gedrenteld, totdat ze zich weer neerzette op een der oude plaatsjes, en uitzag over 't water, dat glinsterde in de Aprilzon.

Adriaen moest naar Veere. Pauwelsz had zaken met den rijken schepen Jan Block én zond zijn neef als zijn vertegenwoordiger herwaarts. Diep ademde de jonkman de lentegeur in en neuriede een Brabantsch liedje.

Onder aan den dijk vond hij Geertruyd, verdiept in droomerijen. Ze bemerkte hem niet, voordat hij stil achter haar was genaderd en, plagend, haar had verschrikt.

Maar niet lang had hun jok geduurd. Na zijn spotternij was Adriaen stil geworden, Hoe-stond ze daar, overeind gekomen uit het gras, vóór hem; hoe kuisch en devoot in haar stemmig kleurengewaad, Hoe rustig en trouw zag ze naar hem op, 't zwartgelokte hoofdje éven rustend op

Sluiten