Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VEEKSCHE HEKS.

„Annemarie," stokte Geertruyd, „ik ben arm. De laatste maand heb ik niets gewonnen en morgen...."

Annemarie had genoeg gehoord. Dit alles had zij voorzien. Even werd de deurspleet wat wijder. Haar hoofd stak er door.

„Arm?" ze lachte kwaadaardig. „Ge moogt dan werken en winnen als ik doe!"

Ze trok het hoofd terug. Met een slag werd de deur dichtgeworpen.

In den namiddag was Geertruyd in haar woning weergekeerd. Langzaam was ze den Arnemuidenschen dijk langs gegaan, als gevoelde zij, dat voor het laatst ze deze oude, lieve plaatsen mocht zien; de struiken, waar Adriaen eenmaal haar zijn liefde had toegefluisterd en verderop, bij Veere reeds, de plek, waar voor het eerst Gabriël haar tegemoet was gekomen, omtrent ter zelfder plaats als zij hem had begroet, toen hij uit de handen van den henker gevlucht, een anderen dood tegemoet snelde.

Thuis gekomen, na op straat bespot en nageroepen te zijn, zat ze weer, uren lang, tot de November-schemer daalde. Zoo des morgens de schuld niet voldaan werd, zou des avonds vóór haar woning haar huisraad worden gezet en zij zelve verjaagd uit de woning, ten aanschouwe van de Veersche klanten, die met een heks geen deernis zouden hebben.

En bevangen door de vrees voor de grimmige toekomst, werd zij vervuld van verlangen, te deelen in de rust, die reeds over haar man en haar dochtertje was gedaald en kalm glimlachend, als een, die weet, spoedig aan 't eind van veel rampspoed te zijn, nam zij 't koord van 't spinnewiel ....

Maar, eerst dof en nauwelijks te hooren, spoedig luider, klonken kreten en stappen van velen langs de haven. Ruwe kreten, bedreigingen, vervloekingen, 't Bleef stil houden voor hare woning. Onthutst bleef Geertruyd staan in een hoek van het vertrek. Een paar steenen werden tegen de

Sluiten