Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WIND OP DE MOLENS.

spiegels; van verre kwam men er naar kijken om hun subtiele- en kluchtige bedriegerij. De drollige karikatuur van hun gezichten platgedrukt tot een malsche pompoen of uitgerokken tot een peer kittelde in hen een feilen, stommen lach wakker. Weldra liep die er met stortvlagen uit; ieder proeste in zijn hoekske zonder zich met een anderen bezig te houden. Flanders zijn basstem rolde, geschud door hikken. Dries voelde den lach naar zijnen neus stijgen als een schelle fanfare van piston-gekwak, lijk ze klonk op de dagen dat de harmonie uitging. Dolf kwam zoo seffens niet los; kleine inwendige buitjes pakten hem aan. Maar na eenige momenten barstte ook hij los. Een gereutel neep hem de keel toe, verwrong zijn wangen tot een masker en men hoorde hem nauwelijks in de lachvlaag die Flanders en Dries achtero verwierp. Ze stonden daar alle drie opgedrongen, den mond opengetrokken tot aan de ooren, met tranende, gezwollen oogen.

Eerst als ze op straat waren ging de bui over. Ze begonnen andermaal door den slijkerigen sneeuw te trampelen. De avond zijpelde neer uit een lagen hemel, spon zijn bobijntjes wol af zonder rust noch duur. De winkels ontstaken hun lampen; wielen van goud en edelgesteente draaiden in de gebrandglaasde ramen der kerken; de kleine sleetjes kwamen en gingen steeds. Hier en daar bleven ze staan kijken naar 't mirakel van oude bouwkunst, gedraaid lijk een druivelaar onder de kanten wade van de vlokken.

Ze liepen voorbij de oude vesten: de molens op hun heuvelkens keken uit of de wind die de vloten zeilklaar maakt niet terugkeerde, 't Waren de laatsten van heel dat molenvolkske dat blijzaam ronkte als bromvliegen, gekeerd naar den zeekant. Dezen die overbleven sloegen groote kruisen; ze stonden daar heel klein in de schaduw der hooge torens. Nochtans in de nieuwe kwartieren daarbuiten snorden er molensteenen, hoorden ze hamers slaan en stoomketels fluiten. Flanders met een breed gebaar, liet voor hun oogen gevelen rijzen slank als ooievershalzen, daken gekromd als galei-voorstevens, een aaneenschakeling van kaaien van een jonge stad die door de breede haven-baai open op zee de

Sluiten