Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WIND OP DE MOLENS.

een wapperende kap scheerde over de steenvlassen wegels, zweefde verloren in het effene landschap, geweven uit zilverdraad. De drie vrienden konden gelooven dat ze smettelooze voolen gingen uit slaan in 't symbool van het toekomstige Minnewater, 't Was alles zoo ver weg van het dagelijksche leven, deze teere en fijne winter van zieltjes zachtjes bevroren in de belokenheid der kleine kloosterkes van ij zei en kristal! Tegen de glasramen der kapel klonk het freele lied van een hemelsch psallet.

Als 't tijd was, brachten ze Flanders naar de statie; hij moest morgen zijn gazet ineensteken. Dries was danig aangedaan als hij hem de hand drukte, alsof ze een plechtig verbond hadden gesloten dat de eene aan den andere bond. Nu moet ik over de opdracht springen, peinsde hij. Hij wist nog steeds niet met welken voet hij het doen zou. De democraat drukte een spijt uit doch ging niet tot het einde van zijn gedacht.

— 't Is jammer, wij hadden op u gerekend, Dries Abeels.

— De eene trekt rechts, de andere trekt links, sprak hij. De trein floot, schaverdijnde over de zwarte rails den

blinkenden nacht in.

Ze gingen overnachten in De Roode Poort, gelegen onder den Halle-toren; 't was een berookte en vettige herberg waar de voerlie afspanden. Al loopende, stonden Dries zijn oogen op de schoone daken van Brugge, een echtig bosch van verdoezelde gevels, met kappen van sneeuw als kerstboomen. De voorvaderlijke, genoeglijke legenden zongen in zijn frisch, geloovig hart. 't Was als de groote Vlaamsche nacht met zijn winkels verlicht, lijk kapellen voor een nachtmis. De speelgoed haantjes op hun plank, hoorende 't geklank der kinder-harmonica's, dachten dat het den morgenangelus was en kraaiden zich heesch. De vreugde der Arken van Noach verteederde de geringheid der poppen en den spotlach der poesjenellen. Alleman bij den speelgoedman was gelukkig. Zelfs de menschen op straat, met hun roode neuzen en hun sneeuw-bepoederde haren, leken venten van amandel-brood, zooals men er zag in 't venster bij den bakker.

Sluiten