Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEELDENDE KUNST.

buitengewone bekoring. Indertijd zag ik een tentoonstelling van het werk uit Bretagne, en werd weer getroffen door de raakheid waarop de onderwerpen waren weergegeven. Onder de hier gegeven reproducties vindt men er een naar een schilderij uit de Bretonsche periode „Laag water in de haven van Concarneau" en m.i. is het teernevelig-lichtende van het geval zeer goed uitgedrukt; het is als een heldere droom, opkomend in een tot rust komend gemoed, er is wisselwerking tusschen de stemming van de natuur en die van den schilder. Al is het jaren geleden, ik herinner me nog meer van die tentoonstelling, vooral de flottiljes, een soort van magische jonken in het prille morgenlicht, uitzeilend om het gulden vlies te halen van de zon, of in den avond van hun tochten terugkeerend, begenadigd en gestreeld door het groote dalende licht, statig aanvarend in triomfantelijken praal. Als de glorie van de zon al die scheepjes overhuift, dan wordt alles getransponeerd tot een grandioze feërie, een zachtglorend tooversprookje van gedempt rood, oranje, geel, blauw en goud. En de rotskust, la falaise, is ook al zoo mooi met haar wisselende kleuren al naar de belichting roodachtig, rossigpaars met soms een blauwvioletten gloed, bestookt en geteisterd door de zee wier tinten loopen van groenblauw tot donker indigo, terwijl het blanke schuim, tegen de rotsen opstuivend, weer terugvloeit, ze sierend met trillende franje. Ook bij betrokken weer en bewolkte luchten zijn mooie effecten te zien, maar de zon is de toovenaar, die beweging brengt en kleur en gloed.

Later werkte Zon ook nog aan de Cöte d'Eméraude, maar daar beviel het hem veel minder dan in Bretagne, dat dan ook veel meer gezocht is. In Bretagne komen schilders uit alle deelen van de wereld, te Concarneau zijn er al een veertig gevestigd.

In het volgende jaar, 1919, ging onze schilder naar Tirol, en wel naar Meran (Merano), een prachtstukje land, vol afwisseling, alles gehuld in een fijnen, ijlen nevel, en daar heeft hij drie jaren achtereen gewerkt. Zomers, in den tijd dat het er buitengewoon warm is, trok hij hoog de bergen op, een 12 a 1500 meter, en schilderde dan rotsen

Sluiten