Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'S AVONDS

door

LODE ZIELENS.

— Komt gij straks nog efkens, had Nelle haar vriendinnetje Dina nageroepen, toen die in 't al donkere poortje trad, waarachter vele huizen uit den ouden tijd zich verdoken en waar, in één er van, het oudste en het schoonste, Dina woonde. „Komt gij straks nog efkens?" had Nelle haar vriendinnetje nageroepen en met zingende stem had Dina geantwoord: „Ja, ik kom."

En op 't hoekje van de straat, onder een Ons-LieveVrouwenbeeldje van vóór honderd jaar en dat eiken avond het wijdende licht van een wassen kaars kreeg, hadden ze elkaar rustig gewacht: Nelle en Dina.

Want dan zouden ze, nu de schoone avond hen van school, lessen en breiwerk ontslaan had, even een wandelingetje maken op den grooten steenweg van deze voorstad — even maar, en vóór het laat werd, want kleine meisjes mogen 's avonds niet langs straten loopen; dan is niet alleen vader kwaad, maar ook de juffrouw op school en de heiligen in den hemel — wat ge zeker geen goed zal doen als het Sint Niklaas zijn feestdag is.

En daar dan, heel innig tegen elkaar aan, met de broze armen rond elkaar, braaf en zoet kuierden ze. Nelle en Dina, op dezen Grooten Steenweg, die de menschen van de voorstad naar 't hart van de groote, levende stad brengt.

De lucht was avondlijk blauw en er waren nog lichttintels in van de ondergegane zon. De maan leek een volrijpe meloen. Daar hadden Nelle en Dina het eerst met verrukking naar gekeken.

Die groote maan, die zoo gek, ginder, boven de huizen

Sluiten