Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE DROOM EN HET LEVEN.

toch vlug gegaan, zei men, wijl hij zoo jong en sterk was

vanmorgen was hij dan vroeg ontslagen, met voor eenige dagen al den raad, nog een paar weken wat rust en verzorging te nemen. De directeur van zijn school, wien hij dit geschreven had, meende hem geen beter blijvend herstel te kunnen bezorgen dan hem een paar weken met vacantie naar huis, naar zijn ouders te sturen. Hij zou zich dan na veertien dagen weer bij den directeur melden. Tenzij hij in de stad wilde blijven en hier in zijn pension nog wat rust nemen. Doch hij had dat gaan naar huis dadelijk aangegrepen. Gisteren, op dat laatste bezoekuur, had hij het haar gezegd.

„Ik ga naar huis — morgen. Over twee weken ben ik terug."

Zij had hem aangestaard, eerst in bevreemding, dan in blije verwondering: „je gaat naar huis? Van je dokter en van den directeur van je school? Dus dan ben je beter? Je gaat alleen nog maar wat opknappen?"

Hij had ja gezegd. „Ik bèn beter — ik vóél het — maar

als zij het willen Breng je me weg? Anders zal ik

alleen gaan, want m'n vrinden — nee, die hebben school en — ik wou liever dat jij meeging."

„Maar natuurlijk ga ik mee. Ze weten 't nu immers tóch! Bedoel je dat ik meega tot aan de stad van je huis óf —" Ze vroeg het met een kleur.

„Néén — alleen tot aan den trein. Dacht je dat ik een verpleegster noodig had?" Hij lachte. „Dan zouden ze me immers niet laten gaan! Neen, als ik op mijn kamer geweest ben om wat kleeren, dan alleen tot aan den trein. We lóópen. Ik neem niet veel mee. Hoe zou je 't kunnen gedaan krijgen dat je meeging tot aan mijn stad? Wóu je het? Hoe kóm je er bij? En wou je dan alleen teruggaan?"

„Dat wou ik" — zei ze stil en bloosde weer; „ik dacht toch heusch dat je dat meende. Dom van me, ja, want je

bent beter. Maar als ik meeging — een dag en

buiten! we hoefden toch ook dadelijk niet door te

gaan naar jouw stad en we konden onderweg

zooals laatst op dien Zondag dat was toch wel zalig

Sluiten