Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SPEL.

Maar een plotse inval veranderde opnieuw haar beweeglijke trekken, haar roode mond viel even-open als van een kind, dat iets begeerlijks ziet.

„Maar we zouden toch wel iemand kunnen vragen om die weken hier te komen...." Zij praatte zacht en vlug voor zich heen, in beslag genomen door het gedachte-beeld in haar. „Iemand, die eens naar mij om kan zien en die Sien een beetje op de vingers kijkt." En met een fronsing van haar strak-getrokken wenkbrauwtjes: „De dingen kunnen toch maar niet al dien tijd aan hun lot worden overgelaten!"

Hij vermoffelde een glimlachje, dat hij haar niet toonen wou, een goedmoedige spot om haar plots gerezen bezorgdheid voor dit huishouden, waarom zij zich nimmer placht druk te maken. En Sien was er toch, die alles bestierde en niet anders gewoon was!

Haar snelle intuïtie ried iets van zijn verzwegen gedachten. Handig voleindde zij snel, haar oogen naar de zijne:

„En we kunnen van Sien, die haar werk heeft, niet óók nog vergen, dat ze een patiënt zal naloopen."

Hij moest erkennen: dit was een argument. En bovendien, het vrouwke kón toch ook niet al die weken van gedwongen rust alleen doorworstelen... . Maar wie?.... Spelend met haar eene blonde vlecht, peinsde hij... . En hij dacht aan zijn oudste zuster, de eenige nog thuis.

„Meta?...." opperde hij en hij hoorde zelf de weifeling in zijn stem.

„Meta? Ajakkes née!" weigerde zij, naïef-eerlijk. En met het zoetbekorende lachglanzen van haar oogen in zijn oogen, zei ze: „Je wou me toch laten verwennen! Nou dan! Dat kan je toch van Meta niet verwachten!"

„Bengel!" lachte hij, zijn gezicht boven het hare. „Mag je zóó van mijn zuster.... ? En als ik nu 's zei: Meta komt hier, en niemand anders?"

Zij lachte zachtjes en probeerde, onder zijn gezicht, haar hoofd te schudden. En met een mengeling van naïveteit en behaagzucht, die hij in dit oogenblik niet zocht te ontwarren, fluisterde zij:

Sluiten