Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GYMNASIUM.

Hè, Willem hoopte, dat hij 't hier prettiger zou hebben dan bij Tante te Kampen. Vreemd, dat hij nu plotseling aan Kampen dacht; hij had Kampen al heelemaal vergeten, en toch was 't nog geen drie weken, dat hij weer thuis was.

Bij de gedachte aan Kampen betrekt Willem even, alles schiet hem te binnen als een nachtmerrie; hij voelt zich wee en schaamt zich, als hij zich ineens weer ziet onder die jongens van de school, die hem voor den gek hielden, omdat hij als dorpsjongen zoo weinig wist van hun dingen en ook om zijn kuren.

Willem bloost, nu hij aan zijn kuren denkt. Hij kan zich niet begrijpen, hoe hij zoo vreemd en flauw had kunnen zijn, maar hij had er toch niets aan kunnen doen en 't was ontzettend akelig geweest. Wat moeten die meesters en jongens wel van hem hebben gedacht, als hij weer zoo'n angstbui kreeg en meende, dat hij dood ging en dan, zonder zich om hen te bekommeren, de gekste dingen deed.

Eens zat hij opgewekt en wel in school en ze lazen uit het boekje van de vaderlandsche geschiedenis. Toen kwam dat verhaal van den Amsterdamschen schouwburg, die afbrandde. Er verbrandden menschen, maar dat kon Willem niets schelen. Maar ineens, — daar had je 't weer! — daar viel een man dood van den schrik, toen hij den schouwburg zag branden.

„Willem, wat heb je? Wil je wel eens blijven zitten?!"

Maar Willem hoorde niet Meester's krakerige stem; Willem rende weg voor den Plotselingen Dood....

Nu begrijpt Willem niet, hoe hij dat ooit heeft gedurfd; hij draafde het lokaal uit en dwars door het andere lokaal, waar het Hoofd der School les gaf, naar de vestibule en zoo naar buiten, naar 't huis van Tante, die gelukkig vlak bij de school woonde en waar hij ontdaan en bleek aankwam.

Tante gaf hem een geduchten uitbrander en hij moest voor straf naar bed.

O, wat een last; wat een last was die angst! Je hadt nooit iets aan je leven, want altijd stond je er aan bloot. En je kondt het een ander nooit uitleggen.

Sluiten