Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GYMXASIUM.

Eerst hadden de jongens Willem wel aardig gevonden, en hij had zich onder hen heelemaal thuis gevoeld. Er waren enkele dingen, waarmee hij kon geuren. Hij kende Friesch, en dat was zoo'n rare taal; ook kon hij kaatsen en dat was een heel nieuw spel voor de jongens. Willem richtte een kaatsclub op; hij had van Tante een drukkerijtje gekregen en drukte lidmaatschapskaarten en toegangsbewijzen, want natuurlijk was hij secretaris-penningmeester van de club. En ook was hij het, die de jongens kaatsen moest leeren.

Maar toen ze gingen beginnen, was het speelterrein zoo vreeselijk ver en je moest langs een langen weg, waar niet overal huizen stonden, en midden op den „Zandberg" kreeg Willem weer angst, en voordat de jongens wisten wat er gebeurde, ging hij aan den haal. Toen durfde Willem niet meer naar het speelveld en de jongens hielden hem voor den gek met zijn kaatsclub.

Soms durfde hij zelfs niet op straat. Als hij voor het huis van Tante speelde, moest hij telkens door het venster kijken, of Tante er nog wel was, en als hij ze niet zag, holde hij de deur in.

Later was dit wel beter geworden, maar toen hij met de vacantie naar huis was geweest en terugkwam, kreeg hij heimwee, en eens wou hij op een avond stilletjes bij Tante vandaan loopen; hij had de deurknop al in de hand, toen Tante hem bij den kraag greep.

Kampen is een ellendige stad en Willem wil er niet meer aan denken. Het is gelukkig voorbij; het is afgeloopen. Nu heeft Willem met Kampen niets meer te maken en hij is al heelemaal vergeten, hoe het er ook weer was. Het nachtmerriebeeld verdwijnt en Willem ziet de zon weer door 't venster over de kamer schijnen.

Hij springt uit zijn bed en kleedt zich aan. Straks komt Guus hem halen en als het examen goed afloopt, gaat hij morgen naar huis terug. Want morgen is 't uitslag. Tot zoolang logeert Willem hier bij een neef van Pa, die een kostschool heeft. Maar de kostschooljongens zijn weg,

Sluiten