Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GYMNASIUM.

peren; — als ze al de lanen hebben doorgewandeld en in 't bosch dennenappels hebben gevonden en een mierennest hebben ontdekt; als ze op den vijver geroeid hebben en op 't eilandje het steenen beeld hebben getast en gezien, dat er bruin, vies water staat in het bekken, dat het opheft boven zijn hoofd; als ze dan nog eens een boterham hebben gegeten met allerlei vreemde eieren, die ze zelf uit den stal hebben mogen rapen: kalkoenen- en duiven- en krielkippen-eieren, — komt het rijtuig met de blauwe kussens en de zwarte paarden voor, en Pa en Ma stappen weer in. Plof! het portier dicht, en daar zijn ze weg.

Willem, met zijn broertje en zusje, staat plotseling eenzaam in de vallende duisternis tusschen de zwijgende bosschen en de stille, verlaten weiden. In de verte blaft een hond.

De kinderen kijken elkaar aan, en voelen hun keel dik worden. Oom plaagt Em:

„O, o, zoo'n groote meid, kan ze nog niet van moeder af!"

Nu zitten ze in den lauwen zomeravond voor het bordes van het groote huis. Oom schenkt hun appelwijn in en vraagt, of ze niet een versje voor hem willen zingen. Maar ze kunnen niet, want dan moeten ze schreien. Oom houdt ze er mee voor den mal:

,,0, o, zulke groote kinderen en dan nog zoo klein."

Maar Willem wou, dat hij met Pa en Ma mee terug had mogen gaan.

Gelukkig krijgen ze erg slaap van den appelwijn en de huishoudster brengt hen te bed. Em slaapt in een kamer naast de jongens, bij de juffrouw. Willem en Niek klimmen samen op het hooge twee persoons bed, dat voor hen is bestemd en midden in de groote, holle kamer staat. Ze doen de vensters, die de juffrouw gesloten had, maar weer wijd open, dan schijnt er nog wat licht in de duistere ruimte. Ontzettend, wat zijn die vensterluiken zwaar en wat rammelen die ijzeren bouten, die er naast bungelen.

Al vroeg worden ze wakker, een en al verrukking. Want ze zien voor zich van 't hooge bed af door de ruiten, de prachtige, stille boomen en weiden. De zon flikkert op

Sluiten